13 Matteüs: Liefde, barmhartigheid en vergeving

Samenvatting: In dit hoofdstuk zoeken we naar de kenmerkende eigenschappen van Matteüs in zijn weergave van het evangelie van Jezus Christus. In zijn evangelie nemen de vijf lange redes van Jezus een belangrijke plaats in, en op dat onderwijs van Jezus zullen we ons voornamelijk richten. We kijken wat Jezus bedoelt met zijn woorden over een gerechtigheid die groter is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën. Vervolgens kijken we naar de gemeenschap van de discipelen van Jezus en hoe Jezus verwacht dat zij met elkaar omgaan. We sluiten het artikel af met het omschrijven van vier kernpunten uit het onderwijs van Jezus die ons zijn opgevallen en die we willen meenemen in onze zoektocht naar hoe wij gemeente van Jezus Christus kunnen zijn die interne tegenstellingen en meningsverschillen kan overbruggen.

In het vorige artikel zijn we begonnen om de vier evangeliën te verkennen. We begonnen toen met Markus en in dit artikel gaan we in op het evangelie van Matteüs. Nog even een korte uitleg van het waarom. Wij waren in onze verkenning op de vraag gestuit hoe we met elkaar gemeente van Jezus Christus willen zijn. We hebben geconcludeerd dat de interpretatie van de Bijbelpassages over homoseksualiteit en de toepassing voor onze situatie onvoldoende klaarheid bieden voor een breed gedragen handelwijze. Er is te veel verschil van mening tussen de kerken alsook binnen de kerkgenootschappen, en ook binnen de Kerk van de Nazarener. We hebben in artikel 11 gekozen voor een model op grond van Romeinen 14-15 van gemeente zijn dat dit verschil van mening kan overbruggen zonder uiteen te vallen, of vleugellam te worden door polarisatie.

We willen de vier evangeliën aandachtig lezen en kijken hoe de evangelisten ieder op hun eigen manier Jezus beschrijven. Hoe wordt hij geportretteerd? Hoe gaat hij met de mensen om en hoe formeert hij een gemeenschap rondom hem? En bovenal, wat heeft hij gezegd over discipelschap? We willen geen losse woorden en voorvallen uit het leven van Jezus uit hun verband halen, maar juist plaatsen in het bijzondere en unieke verhaal dat iedere evangelist vertelt.  Elk evangelie legt net weer even andere accenten en tezamen geven zij een gevarieerd beeld van Jezus. We kiezen dus voor een narratieve benadering vanuit de overtuiging dat de vier evangelisten hun theologie op verhalende wijze overbrengen op hun lezers.

Wij zijn begonnen met Markus dat beschouwd wordt als het oudste evangelie, en dat door de andere evangelisten is gebruikt bij het schrijven van hun evangelie. Nu we ons gaan inlaten met Matteüs zal direct opvallen dat hij het verhaal anders vertelt. De volgorde van bepaalde verhalen is anders, en woorden van Jezus worden anders gegroepeerd en aangevuld met woorden die niet in Markus te vinden zijn. Deze verschillen helpen ons om te zien welke accenten Matteüs legt, en wat hij wil overbrengen op zijn lezers. Vragen over wie van de evangelisten het meest nauwkeurig is in de weergave van het gebeuren rondom Jezus laten we onbeantwoord omdat deze niet te beantwoorden zijn. Alle vier de evangelisten geven een eigen visie op Jezus en zijn bediening, en alle vier zijn door de beginnende kerk bewaard en later aanvaard als deel van de gezaghebbende canon voor ons geloof aangaande wat God in Christus tot stand heeft gebracht.

Het evangelie volgens Matteüs

Het evangelie van Matteüs is heel anders dan dat van Markus. Het valt direct op door vijf lange redes van Jezus, van welke de Bergrede in de hoofdstukken vijf tot zeven de bekendste is. De andere vier redes zijn te vinden in hoofdstuk 10 over de missie van de discipelen, hoofdstuk 13 over de gelijkenissen van het koninkrijk van God, hoofdstuk 18 over relaties in de gemeente, en in de hoofdstukken 24 en 25 over de toekomst. Het wordt aangenomen dat Matteüs woorden van Jezus bijeen heeft gevoegd die de andere evangelisten bij andere gelegenheden vermelden, en aangevuld met woorden die de andere niet hebben, en zo grotere rede-composities heeft gecreëerd. Deze worden steeds afgesloten met de woorden, “Toen Jezus deze rede had uitgesproken” (7:28-29; 11:1; 13:53; 19:1; 26:1).

Door deze composities legt Matteüs sterke nadruk op Jezus als de leraar van de discipelen, en van de kerk. Matteüs zegt ook nadrukkelijk dat Jezus indruk maakte en sprak als iemand met gezag, anders dan de schriftgeleerden (7:29, zie ook 13:54 en 22:33). Waar Markus als een spannend verhaal leest met snel op elkaar volgende handelingen en aansprekende omschrijvingen, is er door de lange redes in Matteüs veel minder beweging waardoor we minder worden meegenomen. Ook omdat de redes sterk thematisch zijn opgebouwd komt het evangelie van Matteüs over als een soort naslagwerk van het onderwijs van Jezus. Hij heeft ons iets te zeggen over hoe we als discipelen behoren te leven en hoe we een gemeenschap kunnen zijn die leeft tot eer van God. Het zijn woorden die we moeten overdenken. In ons overzicht zullen we ons dan ook vooral richten op de rede-composities in het evangelie van Matteüs.[1]

Gehoorzaamheid aan meer dan alleen maar regels

Gehoorzaamheid is een sleutelwoord in het evangelie van Matteüs. Het is niet genoeg dat de discipelen luisteren naar het onderwijs van Jezus, maar zij behoren naar zijn woorden te handelen. Een leerling is iemand die de woorden van Jezus doet: “Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader” (7:21). De mens die naar Jezus luistert en ernaar handelt is als de man die zijn huis op een rots bouwt en niet op zand (7:24-27). En aan het einde van het evangelie als Jezus de zendingsopdracht aan zijn discipelen geeft, is zijn opdracht om zich te houden aan alles wat hij hen heeft gezegd en die woorden aan anderen te leren (28:20).

De grote vraag tijdens het leven van Jezus en ook ten tijde van de eerste decennia van de kerk was hoe dit onderwijs zich verhoudt tot de wet van Mozes. Matteüs is heel duidelijk in zijn evangelie. Jezus geeft aan dat hij niet in tegenspraak is tot de wet van Mozes, en dus niet de wet wil afschaffen (5:17). Hij is juist gekomen om die wet te vervullen op een manier die verder reikt dan de gerechtigheid die de schriftgeleerden en Farizeeën leerden (5:20). Dit wordt geïllustreerd aan de hand van zes voorbeelden (5:21-47), waarin duidelijk wordt dat het Jezus om de intentie van de wetgeving te doen is en niet zozeer om de letterlijke regel op zich. Met moorden wordt niet alleen bedoeld iemand beroven van het leven, maar ook woede-uitbarstingen en verwensingen naar andere personen. Overspel is niet alleen de daad, maar ook het begeren van een ander.

Op het eerste gezicht lijkt het dat Jezus door deze verinnerlijking de wet nog zwaarder maakt. Maar de moeite die de schriftgeleerden en Farizeeën met Jezus hadden was juist dat hij te lichtzinnig met de wet omging. Ook hijzelf zegt dat zijn juk zacht is en zijn last licht om te dragen (11:28-30), terwijl hij vindt dat zijn tegenstanders juist zware lasten op de schouders van de mensen leggen (23:4). Hoe moeten we Jezus’ woorden over een gerechtigheid die groter is dan die van de schriftgeleerden (5:20) uitleggen?

In het portret dat Matteüs van Jezus schildert komt de nadruk te liggen op het innerlijk van de mens waaruit de daden voortkomen, een accent dat in het evangelie van Markus niet aanwezig is. Jezus kijkt dan ook verder dan het uiterlijk gedrag. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk in zijn aanklacht tegen de schriftgeleerden en Farizeeën. Zij zijn erop gericht om door mensen gezien te worden (23:5). Jezus vergelijkt hen met witgepleisterde graven die er van buiten fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden (23:27). Uiterlijk lijken zij voor de mensen op rechtvaardigen, terwijl hun innerlijk vol huichelarij en wetsverachting is (23:28).

In de confrontatie met de schriftgeleerden en Farizeeën ging het vaak over de reinheidswetten. Matteüs vertelt in hoofdstuk 15 van een voorval waarin de  leiders Jezus verwijten dat zijn discipelen de tradities van de vaderen overtreden omdat zij hun handen niet wassen voor ze hun brood eten. Jezus gaat dan in de tegenaanval en verwijt aan de hand van een ander voorbeeld zijn tegenstanders van hetzelfde; door zich te houden aan hun eigen tradities overtreden zij de geboden van God. Het lijkt op een welles-nietes spel uit te lopen.

Maar in de confrontatie herdefinieert Jezus het begrip reinheid: “Niet wat de mond ingaat, maar wat de mond uitkomt, dat maakt een mens onrein” (15:11). Dat het Jezus om meer te doen was dan alleen de voedselwetten blijkt uit zijn antwoord op de vraag van Petrus om verdere uitleg. Jezus legt dan uit dat niet voedsel de mens onrein kan maken maar wat uit het hart van een mens voortkomt, zoals boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster (15:19).

Door deze verinnerlijking en nadruk op de gesteldheid van het hart, oftewel de motivatie waarmee we de dingen doen, maakt Jezus duidelijk dat het hem niet om een systeem van regels te doen is. Het gaat hem om een verandering van karakter en van het hart.[2] En wanneer een dergelijke verandering heeft plaats- gevonden, dan zullen net als bij een boom de goede vruchten vanzelf tevoorschijn komen (7:17-18; 12:33). Of zoals Jezus elders zegt: “Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over” (12:34).

Hoe deze nadruk op het innerlijk van het hart zich verhoudt tot de nadruk op de gehoorzaamheid aan het onderwijs van Jezus is niet heel duidelijk gearticuleerd in Matteüs. Richard Hays geeft de volgende suggestie: “Handelen volgt uit karakter, maar karakter is niet zozeer een innerlijke houding, maar eerder oefening in de weg van rechtvaardigheid. Degenen die op Jezus’ verkondiging reageren en zich aan zijn onderwijs onderwerpen zullen ontdekken op een nieuwe wijze gevormd te worden, zodat hun handelingen als het ware op “natuurlijke” wijze rechtvaardig en wijs zullen zijn. Zij zullen de vaardigheden en onderscheidingen leren die nodig zijn om getrouw te leven.”[3]

Wat in de wet zwaarder weegt

Naast de verinnerlijking van de gehoorzaamheid komen we in Matteüs nog een tweede kenmerk tegen waarin Jezus zich onderscheidt van de Farizeeën en schriftgeleerden. In één van zijn aanklachten tegen hen zegt Jezus dat zij zich richten op het geven van tienden van munt, dille en komijn, maar dat zij wat in de wet zwaarder weegt veronachtzamen; namelijk recht, barmhartigheid en trouw” (23:23). In de voorbeelden die Jezus geeft van het geven van tienden  gaat het om kleine hoeveelheden die tegenover die zaken in de wet staan, die zwaarder wegen. Toch sluiten de zwaardere zaken de kleinere niet uit, want Jezus zegt dat zij het ene moeten doen zonder het andere te laten. Desondanks wordt hier in de wetgeving van God een prioriteit van belangrijkheid aangebracht, en het verwijt van Jezus is dat zij zich te druk maken over zaken die minder belangrijk zijn en daardoor de kern waarom het gaat uit het oog verliezen.

Reeds in het Oude Testament komen we verschillende pogingen tegen om de wet in een aantal kernbegrippen samen te vatten. De Psalmen 15 en 24 geven een aantal kernachtige eigenschappen weer die het iemand mogelijk maken om vrijmoedig de tempel van God binnen te gaan. En ook de profeten geven verschillende opsommingen van wat voor God het meest belangrijk is. Micha geeft aan wat God van de mens verwacht: “Niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God” (6:8). Amos geeft aan dat God liever recht wil zien dan aanbidding met mooie liederen (5:23-24). Jeremia stelt dat het handhaven van recht en gerechtigheid voorwaarden zijn voor het voortbestaan van de Davidische dynastie in Jeruzalem (22:3-4).

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Farizeeën Jezus vragen naar het grootste gebod (22:35-40). In zijn antwoord verbindt Jezus de oproep van het Shema uit Deuteronomium 6:5 om de Heer met hart en ziel lief te hebben met het gebod uit Leviticus 19:18 om de naaste lief te hebben als jezelf. Als we de weergave van Matteüs van deze gebeurtenis vergelijken met die van Markus (Markus 12:28-34) dan valt een essentieel verschil op. In Markus zegt Jezus dat deze twee de belangrijkste geboden zijn, maar in Matteüs zegt Jezus dat deze twee geboden de grondslag zijn van alles wat er in de Wet en de Profeten staat (22:40 NBV). Of in de woorden van de HSV: “Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten”. In de weergave van Matteüs geeft Jezus niet zo zeer de top 2 van alle geboden weer, maar reikt hij een sleutel aan tot het interpreteren van de gehele wet. In de wet gaat het om niets anders dan liefde voor God en mensen; alles is hiertoe te herleiden. Paulus heeft het iets anders geformuleerd: “De wet vindt zijn vervulling in de liefde” (Romeinen 13:10).

Dat Matteüs bewust deze sleutel voor het interpreteren van de wet wil aanreiken blijkt eveneens uit twee andere passages waarin Jezus de woorden uit Hosea 6:6 citeert (“Barmhartigheid wil ik, geen offers”), terwijl Markus en Lukas dit citaat niet vermelden in hun beschrijvingen van dezelfde gebeurtenissen. In 9:11-13 wordt Jezus door de Farizeeën verweten dat hij met tollenaars en zondaars eet. In Markus 2:13-17 en Lukas 5:27-32 geeft Jezus het antwoord dat hij gekomen is om zondaars te roepen net zoals een dokter er is voor de zieke mensen. In de weergave van Matteüs citeert Jezus als verdere aanvulling ook nog de woorden uit Hosea. In de context van het voorval wordt duidelijk dat voor God de mensen boven de reinheidsvoorschriften gaan. Goed doen naar mensen is belangrijker dan het houden van allerlei reinheidsvoorschriften.

De tweede keer dat de woorden van Hosea geciteerd worden is opnieuw in een discussie over het houden van de regels, in dit geval het aren plukken op de sabbat (12:1-2). En net als de eerste keer gebruikt Jezus deze woorden om aan te geven dat hij niet de intentie van de wet overtreedt. Het gaat in de wet om  barmhartigheid naar andere mensen, en deze barmhartigheid heeft voorrang boven regels zoals het houden van de sabbatsrust. Dit is de gerechtigheid die groter is dan die van de schriftgeleerden (5:20).

Een andersoortige gemeenschap

Matteüs is het enige evangelie waarin het woord ekklesia (kerk; gemeente) gebruikt wordt. De eerste keer wordt het gebruikt in de woorden van Jezus aan Petrus: “Jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen (16:18). De tweede keer gaat het over discipline in de gemeente (18:17), waarover we verderop nog meer zullen schrijven. Deze beide voorvallen komen wat anachronistisch over omdat er tijdens het leven van Jezus nog niet van een kerk sprake was. Ze laten zien dat Matteüs zijn evangelie geschreven heeft voor de kerkelijke gemeenschap van zijn dagen, en dat hij de woorden van Jezus wilde toepassen op die situatie.

Voor Matteüs is de kerk de gemeenschap van leerlingen van Jezus, die zijn woorden omzetten in daden. Met elkaar zijn zij zout van de aarde, licht in de wereld, opdat de mensen hun goede daden zien en eer zullen geven aan God de Vader (5:13-16). De discipelen krijgen in Matteüs ook een duidelijke opdracht om uit te gaan en nieuwe mensen te werven en op te nemen in de gemeenschap door doop en onderwijs (28:18-20).

De zaligsprekingen (5:3-10) geven de waarden van het koninkrijk van God aan, dat in de gemeenschap van discipelen gestalte moet krijgen. We zien hier duidelijk dat de wereldse normen en waarden worden omgekeerd. De zachtmoedigen, die normaliter in de wereld altijd “de prijs” aan hun neus voorbij zien gaan, zullen juist rijkelijk gezegend worden. Zij die in de wereld lijden aan het onrecht zullen juist in het koninkrijk van God verzadigd worden.  Degenen die in de wereld geen troost vinden zullen in de gemeenschap van Jezus’ discipelen troost vinden. De kerk als de kring van Jezus’ leerlingen is een andersoortige gemeenschap, die in de wereld niet altijd begrepen wordt (5:11).

De tweede lange rede van Jezus vindt plaats als hij zijn discipelen uitzendt (10:1-16), maar het merendeel van de rede vanaf vers 17 gaat over de gemeenschap van discipelen na de hemelvaart van Jezus. De vergelijking met Markus en Lukas laat goed zien hoe Matteüs deze rede heeft opgebouwd. Woorden over de toekomst die Jezus in Markus bij een hele andere gelegenheid spreekt (Markus 13:9-13) voegt Matteüs hier toe aan deze rede bij het uitzenden van zijn discipelen, en woorden die Lukas Jezus op andere momenten laat zeggen (Lukas 12:2-9, 51,53; 14:25-27) hebben ook in deze rede een plek gevonden. Op deze wijze heeft Matteüs een lange rede van Jezus thematisch samengesteld over missie in een vijandig gezinde wereld. Het beeld dat deze woorden schetsen is hetzelfde als het kruis dragen waar in Markus de nadruk op wordt gelegd.

Maar anders dan in het evangelie van Markus legt Matteüs de nadruk op de aanwezigheid van Jezus bij zijn discipelen. De laatste woorden van Jezus aan zijn discipelen zijn een belofte: “Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld” (28:20). En wanneer de gemeenschap voor moeilijke besluiten staat dan is er de zekerheid dat Jezus onder hen aanwezig is om hen te leiden (18:19-20). Jezus is Immanuel, God met ons (1:23).

De derde rede die Matteüs beschrijft gaat over verschillende gelijkenissen over het koninkrijk van God en komt grotendeels overeen met Markus 4. Het vervult in het verhaal van Matteüs ook een gelijke functie, namelijk om te laten zien hoe verschillend mensen op de verkondiging van het koninkrijk reageren, en hoe het stapsgewijs en in het verborgene groeit. Over de gelijkenis van het onkruid op de akker zullen we later nog terugkomen.

Zorg voor elkaar

De vierde redevoering van Jezus in hoofdstuk 18 gaat over de onderlinge omgang van de leden van de gemeenschap van discipelen. Het gedeelte begint met de vraag van de discipelen wie de belangrijkste is. In zijn antwoord geeft Jezus het voorbeeld van een kind (18:2-5). Zoals een kind een kwetsbare en lage positie in de samenleving inneemt, zo wordt van de discipelen gevraagd om in de groep een ondergeschikte positie in te nemen. Dit vraagt om nederigheid. In vers 5 voegt Jezus hieraan toe dat de gemeenschap kinderen, en anderen die vanuit menselijk oogpunt onbelangrijk zijn op moet nemen omdat deze mensen Jezus representeren. Deze mensen welkom heten betekent Jezus verwelkomen. Een praktische uitwerking hiervan kunnen we lezen in Jacobus 2:1-4 waar de gemeente gewaarschuwd wordt om mensen niet op hun uiterlijk te beoordelen, waardoor goed geklede mensen anders worden behandeld dan minder verzorgd geklede mensen.

In het vervolg wordt het beeld van het kind ingewisseld voor dat van de geringen, waarmee de anderen in de gemeenschap van discipelen bedoeld worden in hun kwetsbaarheid en onbelangrijkheid. “Wie één van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken.” (18:6). Het zijn harde woorden die aangeven hoe belangrijk de mensen voor Jezus zijn die in hem geloven. Wee degene in de gemeenschap die het geloof van deze mensen beschadigt.

Hoe belangrijk iedere gelovige in de gemeenschap is blijkt uit de gelijkenis van het verloren schaap (18:12-13). Hier wordt de geringe (18:10,14) vergeleken met een schaap dat is afgedwaald. Een vergelijking met hetzelfde verhaal in Lukas 15:4-7 laat zien dat het verhaal hier in Matteüs een sterke pastorale lading heeft om er alles aan te doen iemand die uit de gemeenschap is afgedwaald weer terug te halen en daarbij bepaalde risico’s zoals het achterlaten van de andere 99 schapen in acht te nemen. Bij Lukas vertelt Jezus het verhaal in een andere context en heeft het een sterkere missionaire lading om te zoeken naar de mensen buiten de gemeenschap die verloren zijn, zoals de zondaars en tollenaars. In beide vertellingen gaat het om de belangrijkheid van de persoon die de weg is kwijtgeraakt.

Jezus drukt hier de gemeenschap van discipelen op het hart om elkaar vast te houden. Zorg ervoor dat iemand niet door jouw toedoen het geloof kwijtraakt, en mocht iemand toch van het pad afraken, doe er dan alles aan om die persoon weer terug te brengen tot de gemeenschap. In het volgende gedeelte (18:15-17) gaat Jezus in op een andere situatie. Wat te doen als iemand die deel uitmaakt van de gemeenschap zondigt? Ook hierin gaat het om de relatie tussen twee mensen en de wederzijdse zorg voor elkaar.

Als iemand een lid van de gemeenschap ziet zondigen, dan behoort dit besproken te worden onder vier ogen. Dit is de verantwoordelijkheid van elk lid van de gemeenschap, en niet van een kerkenraad of de predikant. Mochten de twee personen er niet uitkomen, dan moeten er twee andere personen worden bijgehaald, en pas in derde instantie moet de gemeenschap erbij betrokken worden. Hierin wordt niet gesproken over leiders of over een disciplinaire structuur in de gemeente, maar over de overtuigingskracht en het gezag van de gemeenschap. Het gezag van de gemeenschap wordt beargumenteerd in de volgende verzen (18:18-20). De gemeenschappelijke wijsheid van de gemeente, die kan binden en ontbinden, is gegrond in de aanwezigheid van Jezus Christus in de gemeenschap van gelovigen die tot God bidt voor leiding in het te nemen besluit. Helaas wordt de context van deze woorden vaak vergeten, en worden de woorden “waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn” gebruikt als troost bij een slechte opkomst bij een dienst of bidstond.

Belangrijk te onderstrepen is dat deze woorden van Jezus niet over een excommunicatie gaan, maar een poging zijn om de broeder of zuster te behouden als deel van de gemeente. Het doel is hetzelfde als in de andere situaties die in 18:6-7 en 10-14 zijn genoemd. En zelfs als de poging om de persoon tot inkeer te brengen niet gelukt is, dan is dit niet het einde van de relatie. De discipelen moeten zo’n persoon dan niet meer als mede-discipel maar als heiden of tollenaar beschouwen. En zoals Jezus deze mensen steeds opzoekt, zo moeten de discipelen het contact met deze “afvalligen” blijven zoeken. Het advies van Paulus in 1 Korintiërs 5:9-13 volgt deze zelfde lijn en heeft hetzelfde doel om de persoon te redden.

Vergeven en geduld

Het bovenstaande geeft aan hoe de discipelen elkaar kunnen helpen om een trouw navolger van Jezus te zijn. Richard Hays proeft in de wijze waarop Matteüs zijn evangelie vertelt een spanning tussen de strengheid van een rechtvaardigheid die meer is dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, en de barmhartigheid die getoond wordt naar de zondaren en tollenaars.[4] De woorden van hoofdstuk 18 geven het beeld van een gemeenschap van navolgers die nauw bij elkaar betrokken zijn, die de discipline kunnen opbrengen om elkaar tot steun te zijn, en de moed hebben om elkaar op dingen aan te spreken die niet in orde zijn. Het is ook een gemeenschap die elkaar kan vergeven. En over dit laatste vraagt Petrus aan Jezus hoe vaak we onze medediscipel moeten vergeven (18:21).

Het antwoord dat Jezus geeft is dat we grenzeloos moeten vergeven. Zeventig maal zeven geeft aan dat we geen score moeten bijhouden maar altijd vergevingsgezind behoren te zijn. “Als iemand nog aan het tellen is, hoe royaal ook, dan is die persoon niet vergevingsgezind.”[5] Dit illustreert Jezus verder met de gelijkenis van de schuldeiser en schuldenaar (18:23-35), waarin iemand een enorme schuld wordt kwijtgescholden, maar vervolgens niet een klein bedrag kan kwijtschelden dat iemand anders hem verschuldigd is. Deze gelijkenis bevestigt wat Jezus al eerder had gezegd in 6:14-15 dat zoals God ons vergeeft wij anderen moeten vergeven.

In een vergevingsgezinde gemeenschap is ook het besef aanwezig dat alle leden een blinde vlek hebben, en de balk in de eigen ogen niet zien, maar wel de splinter in de ogen van de ander (7:1-5). Daarom roept Jezus de discipelen op om niet te oordelen. Daarom is het collectieve proces dat in 18:15-20 beschreven wordt zo belangrijk, want het gemeenschappelijke proces sluit eenzijdigheden in de besluitvorming meer uit, dan wanneer één persoon of een selecte groep de belangrijke besluiten neemt.

Er is nog een gelijkenis die licht werpt op hoe we een lankmoedige gemeente kunnen zijn als we door moeilijke omstandigheden worden uitgedaagd. In 13:24-30 vertelt Jezus het verhaal dat de vijand tussen het zaad van de boer onkruid gezaaid had zodat zowel het graan als het onkruid samen opkomen. De knechten van de boer willen direct het onkruid er tussenuit wieden, maar de boer zegt dat ze zowel het graan als het onkruid samen moeten laten opgroeien tot de oogsttijd, om te voorkomen dat ook het goede graan wordt losgetrokken. Iedereen die in een tuin werkt weet hoe lastig het wieden van onkruid kan zijn als het goede gewas nog jong is. Daarom zegt de boer tegen zijn personeel daarmee te wachten.

Met deze gelijkenis roept Jezus de gemeenschap op om geduld te hebben en niet overhaast te handelen, omdat we dan wel eens onbedoeld verkeerde dingen kunnen bewerken. Geduld hebben kan ook betekenen dat we de processen die in hoofdstuk 18 zijn beschreven de tijd geven, of dat we de “zondaars en tollenaars” de tijd en genade geven om aan hun nieuwe leven als discipel van Jezus te wennen. Maar het kan ons ook beschermen tegen de blinde vlek die wij zelf hebben waardoor we soms tot verkeerde besluiten komen.

Deze gelijkenis beschrijft de gemeente als een gemengde gemeenschap waar niet alles helemaal is zoals het zou moeten; een gemeente van heiligen en zondaars. De gelijkenis kan zelfs ergernis oproepen voor de puristen in de gemeente die juist een zuivere gemeenschap voor ogen hebben omwille van een duidelijk getuigenis van de kerk. Maar Jezus maant ons tot voorzichtigheid en geduld.

 Wat nemen we mee voor ons als kerk?

Het aandachtig lezen van het evangelie van Matteüs laat zien dat hij het geschreven heeft voor de kerk als de gemeenschap van leerlingen van Jezus, die zijn onderwijs gehoorzaam opvolgen en zichtbaar maken in de wijze waarop zij met elkaar omgaan. Het opvallendst is dat alleen Matteüs het woord ekklesia (kerk, gemeente) gebruikt, en dat passages die van toepassing zijn op de gemeente alleen bij Matteüs te vinden zijn. Voorbeelden die we in dit artikel besproken hebben zijn de gelijkenis van het graan en het onkruid (13:24-30), de procedure om een zondaar in de gemeente op het rechte pad te brengen (18:15-18), en de gelijkenis van de vergeven dienaar die een ander niet kan vergeven (18:23-35). Wat nemen wij mee uit de studie van Matteüs voor onze zoektocht? Wat zijn de kernpunten waar het in de gemeente van Jezus Christus om draait?

Ten eerste. Verandering van hart. Jezus vraagt van zijn discipelen gehoorzaamheid. Maar daarin gaat het om veel meer dan het houden van regels. Het is Jezus om ons hart te doen, als de drijfveer en motivatie voor ons handelen. Ook al gaat Matteüs er in zijn evangelie niet op in, het is duidelijk dat er in de ontmoeting met Jezus een innerlijke verandering plaatsvindt. De bereidwilligheid om naar zijn woorden te luisteren bewerkt een verandering van hart.

Dit vraagt van de kerk dat zij haar energie niet steekt in het motiveren van mensen om zich aan regels te houden, maar om achter die regels op de waarden van het koninkrijk van God te wijzen die Jezus in bijvoorbeeld de Bergrede onderricht heeft. In die ontmoeting met het onderwijs van Jezus zal het hart van de mens geraakt worden. Het moet de kerk niet te doen zijn om het reguleren van gedrag, maar zij zal zich moeten richten op verandering van hart, en erop vertrouwen dat uit een hart vol liefde voor God en de medemens goede vruchten zullen voortkomen.

In onze Nazarener traditie noemen we deze verandering van hart heiliging.  John Wesley noemde het Christian Perfection (Christelijke volmaaktheid) en ontleende dat begrip onder andere aan Matteüs 5:48: “Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.” Het gaat dan niet om volmaaktheid in uiterlijkheden, maar om zuivere intentie en integriteit van iemand die een leerling en navolger van Jezus Christus wil zijn. Huichelarij is de ergste aanklacht die tegen discipelen en de kerk ingebracht kan worden, omdat daarmee gezegd wordt dat uiterlijk en innerlijk niet overeenkomen.

Ten tweede. Liefde en barmhartigheid. In de veelheid van regels die soms met elkaar in conflict zijn hebben we een filter nodig om te zien waar het nu allemaal om draait, zoals Jezus het dubbele liefdegebod aanreikte, evenals het criterium van barmhartigheid ontleend aan Hosea. De twee sleutelwoorden van liefde en barmhartigheid die we in Matteüs ontdekt hebben wijzen in de richting van relaties. Mensen behoren in ons denken centraal te staan en niet de kwesties.

In ons denken over moreel handelen stimuleren liefde voor God en medemens en barmhartigheid ons om vooral na te denken over de gevolgen van onze acties. Als wij dit besluit nemen, welke gevolgen heeft dat voor de mensen die het betreft? In de ethiek wordt dit een teleologische ethiek genoemd, een ethiek die gericht is op het doel (telos) van ons handelen. Wat bewerken onze daden?

Het criterium dat Jezus aanreikt is dat onze daden de mensen niet van hun levenswandel met Jezus mogen afbrengen. Mocht dit toch het geval zijn dan kan die persoon maar beter met een molensteen om zijn nek in zee worden geworpen worden (18:6). Dit zijn hele harde woorden, die ons wijzen op een enorme verantwoordelijkheid die wij hebben naar onze medegelovigen. Het blijft iedere keer weer uitermate pijnlijk te moeten horen hoe mensen door teleurstelling in andere Christenen de kerk, en vaak ook God verlaten hebben.

Het ons door liefde en barmhartigheid laten leiden betekent niet dat we alles maar goedvinden. De drie stappen procedure om een zonde in de gemeenschap bespreekbaar te maken getuigt juist van zorg en liefde voor de persoon die het betreft. Echte liefde durft het aan om iemand op respectvolle wijze met een zonde te confronteren, zonder de eigen tekortkomingen te negeren. Als we ons bewust zijn van de balk in onze eigen ogen, dan beseffen we dat we op een gegeven moment ook zelf daarmee geconfronteerd worden, ja moeten worden.

Ten derde. Veiligheid en geborgenheid. Het beeld dat Jezus schetst van de gemeenschap van zijn volgelingen is heel hecht. De leerlingen wordt gevraagd om zich kwetsbaar in de kring op te stellen zoals een kind, en niet op macht en aanzien gericht te zijn. Jezus zegt: “Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel” (18:4). En van de gemeenschap wordt gevraagd deze “geringen” op te nemen, en er alles aan te doen om hen dichter tot Jezus te laten komen. De kerk behoort een veilige plek te zijn waar “tollenaars en zondaars” zich thuis voelen en kunnen groeien door te leren van de woorden van Jezus.

De zaligsprekingen in 5:3-10 zijn niet alleen een belofte van datgene wat ons te wachten staat, maar ook een verwachting die we van de gemeenschap van discipelen van Jezus mogen hebben. De nederigen en zachtmoedigen zullen zich hopelijk thuis voelen in de gemeente, de treurenden mogen verwachten troost te ontvangen. Zij die zo verlangen naar gerechtigheid mogen verwachten in de gemeente verzadigd te worden. Maar als dit niet altijd zo ervaren wordt in de gemeente, dan moeten we oppassen om niet te oordelen. Het kan wel eens zo zijn dat wij ook zelf hier schuldig aan zijn, maar die balk in onze eigen ogen niet zien.

Ten vierde. Geduld en vergeven. Waar mensen van verschillende achtergronden samen optrekken ontstaat ook spanning. Jezus is hierover heel realistisch. De bede om vergeving van schulden en bescherming tegen beproeving (6:12-13), en de gelijkenis over het vergeven van de ander (18:22-35) geven aan hoe goed Jezus zijn eigen discipelen, en ook zijn gemeente kent. Ook in zijn eigen groep van twaalf liep iemand met hem op die hem later zou verraden. De woorden over de balk en de splinter (7:1-5) laten zien dat niet alles goed zit.

Daarom helpt Jezus ons ook om met deze teleurstellingen in anderen en in onszelf om te gaan. Ook al worden we opgeroepen naar volmaaktheid te streven (5:48), de gemeente is verre van volmaakt en wij worden opgeroepen om elkaar zeventig maal zeven keer te vergeven (18:22). Met andere woorden, in de gemeente moeten we voortdurend bezig zijn met elkaar vergeving te schenken, en tevens beseffen dat ook wij zelf voortdurend die vergeving nodig hebben.

Voor velen van ons is de gelijkenis van het graan en het onkruid de meest lastige. Waar wij misschien de neiging hebben om het onkruid uit de gemeenschap weg te halen, houdt Jezus ons in onze ijver tegen. Het is niet dat Jezus het onkruid goed wil praten, het blijft zaad dat de duivel gezaaid heeft en uiteindelijk in de vuuroven geworpen zal worden (13:39-40). Maar hij maant ons tot geduld, lankmoedigheid. Dit geduld kunnen we alleen maar opbrengen als we vergevingsgezind, liefdevol en barmhartig zijn, en hoop hebben dat het woord van het evangelie wortel zal schieten in de harten van mensen en zij goede vruchten zullen voortbrengen.

Hoe dieper we ingaan op de boodschap van het evangelie van Matteüs, hoe meer we ons bewust worden van een spanningsveld. Het is een spanning tussen aan de ene kant het geduld waartoe de gelijkenis van het graan en het onkruid ons oproept in 13:24-30, tezamen met de oproep om niet te oordelen vanwege de balk in onze eigen ogen,  en de aansporing in 18:15-17 aan de andere kant om de zonde in de gemeente bespreekbaar te maken in de hoop op verandering. Deze spanning wordt in het evangelie niet opgelost, en ook wij zullen in dit spanningsveld gemeente moeten zijn.

Met deze laatste conclusie sluiten we dit artikel over Matteüs af. In het volgende artikel zullen we ingaan op het evangelie van Lukas, en hierin ook iets meenemen van zijn vervolgboek Handelingen.

Suggesties voor gesprek

  1. Lees met behulp van dit artikel het hele Matteüs evangelie en met name de vijf redes van Jezus in hoofdstukken 5-7, 10, 13, 18 en 24-25. Deel dan met anderen die hetzelfde gedaan hebben wat uw indrukken zijn. Wat sprong er voor u uit?
  1. Bespreek met elkaar de vier conclusies aan het einde van het artikel en bespreek met elkaar wat dit te betekenen heeft voor hoe we kerk kunnen zijn in de deze tijd.
  1. Het artikel sluit af met woorden over een spanningsveld in het evangelie van Matteüs. Herkent u dit spanningsveld in het evangelie? Waar treft u het nog meer aan in Matteüs. Als wij ons in dit spanningsveld begeven, naar welke kant neigt u in uw denken? Hoe kunnen we als gemeente dit spanningsveld aanvaarden zonder het op te lossen?

 

Reageren

U kunt een email sturen naar alle leden van de kerngroep (Hans Deventer, Ed van Hoof, Stephen Overduin, Erik Groeneveld, Wilma en Antonie Holleman) en bijdragen aan het gesprek. In latere publicaties zullen we ook reageren op de ontvangen reacties. Het emailadres is: hetgesprek@kvdn.nl

De vorige artikelen kunt u vinden op het ledengedeelte van de website van de landelijke kerk, http://www.kvdn.nl, en op de blog https://antonieholleman.com.

Dit artikel of delen hiervan mogen overgenomen worden met vermelding van: Uitgave van de Kerk van de Nazarener – Nederland.

 

 

[1] Wij volgen zijn in onze weergave van de accenten die Matteüs legt het hoofdstuk van Richard Hays over Matteüs in zijn boek The moral vision of the New testament, maar gaan toch een eigen weg.

[2] Richard Hays, The moral vision of the New Testament, 98. Hij citeert op dezelfde pagina Wayne Meeks, The moral world of the first Christians (1986): “We have here [in Matthew] no system of commandments. The rules are exemplary not comprehensive, pointers to the kind of life expected in the community, but not a map of acceptable behavior… We are left with the puzzle that while Jesus plays the role of a conventional sage in Matthew, his teachings recorded here do not add up to an ethical system. It is not in such a program of teaching, apparently, that Matthew understands the will of God to be discovered”.

[3] Hays, The moral vision of the New Testament, 99.

[4] Hays, The moral vision of the New Testament, 101.

[5] R.T. France, The gospel of Mattew, The New International commentary on the New Testament, 705.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s