14 Lukas: God brengt mensen samen in Jezus Christus

Samenvatting: In dit artikel gaan we in op zowel het evangelie van Lukas als het boek Handelingen, dat hij als een vervolg op zijn evangelie heeft geschreven. We beginnen met de preek van Jezus in Nazaret die als een soort missieverklaring van Jezus gezien kan worden; Jezus is gekomen om goed nieuws voor de armen te brengen. De gemeenschap die zich rondom Jezus vormt is anders. Jezus wil dat de groep van zijn volgelingen de barmhartigheid van God weerspiegelt. Dit betekent dat de armen, kreupelen, blinden en verlamden uitgenodigd dienen te worden. In Handelingen zien we hoe de kerk deze bediening van Jezus voortzet en realiseert in een inclusieve gemeente van Joden, Samaritanen en heidenen. Na de verkenning van deze twee Bijbelboeken sluiten we het artikel af met drie conclusies over de kerk die we meenemen in onze zoektocht.

In onze artikelenserie zijn we nu de vier evangeliën aan het verkennen. We zijn met Markus begonnen dat als het oudste evangelie wordt gezien, en hebben vervolgens naar Matteüs gekeken. Nog even een korte uitleg van het waarom. Wij waren in onze verkenning op de vraag gestuit hoe we met elkaar gemeente van Jezus Christus willen zijn. We hebben geconcludeerd dat de interpretatie van de Bijbelpassages over homoseksualiteit en de toepassing voor onze situatie onvoldoende klaarheid bieden voor een breed gedragen handelwijze. Er is te veel verschil van mening tussen de kerken alsook binnen de kerkgenootschappen, en ook binnen de Kerk van de Nazarener. We hebben in artikel 11 gekozen voor een model van gemeente-zijn op grond van Romeinen 14-15 dat dit verschil van mening kan overbruggen zonder uiteen te vallen, of vleugellam te worden door polarisatie.

Betekent dit model dat de kerk zich niet uitspreekt en het overlaat aan de persoonlijke overtuiging van de mensen? Dit zou gezien kunnen worden als onverschilligheid, en niet getuigen van betrokkenheid bij mensen, alsof de kerk zegt: “Zoek het allemaal zelf maar uit”. De kerk heeft een mening over de vragen rondom menselijke seksualiteit, ook al zal en kan ze niet op alle vragen een duidelijk antwoord geven. Het model van Romeinen 14-15 roept een tweede, even belangrijke vraag op: Hoe gaan wij als kerk om met onze mening, en met de mensen onder ons die die mening niet delen? Hoe kunnen we samen kerk zijn? Omwille van deze tweede vraagstelling zijn we nu de vier evangeliën aandachtig aan het lezen.

Omdat heel vaak woorden en passages uit hun verband worden gerukt en daaraan een interpretatie wordt gegeven die eerder aan de tekst wordt opgelegd dan vanuit de tekst zelf opkomt hebben we ervoor gekozen om aan elk evangelie één artikel te wijden. Op deze wijze kunnen we recht doen aan de wijze waarop iedere evangelist zijn verhaal vertelt en de woorden van Jezus en gebeurtenissen uit zijn leven zo arrangeert om zijn boodschap zo duidelijk mogelijk te communiceren. We hebben dus voor een narratieve benadering gekozen vanuit de overtuiging dat de vier evangelisten hun theologie op verhalende wijze overbrengen op hun lezers.

Het evangelie volgens Lukas

Lukas begint zijn verhaal anders dan de andere evangelisten door zich tot zijn lezer te richten. Hij vertelt Theofilus dat hij de gebeurtenissen in ordelijke vorm heeft opgesteld om hem van de betrouwbaarheid van de zaken te overtuigen waarin hij is onderwezen (Lk 1:3-4). Hij doet dit in twee delen. In zijn eerste deel schrijft hij over Jezus Christus, en in zijn tweede, het boek Handelingen, beschrijft hij hoe de apostelen de opdracht van Jezus hebben uitgevoerd, van Jeruzalem tot aan de uiteinden van de aarde (Hand. 1:1-2, 8). Lukas schrijft niet zo maar een tweedelig geschiedenisboek; hij wil dat zijn verhaal overtuigt en geloof oproept. De ordening van zijn werk dient dit doel, en deze kan ons helpen om zijn boodschap te begrijpen. Verder moeten we het tweedelig karakter van zijn werk erkennen en kunnen we ons niet alleen beperken tot het evangelie. Daarom zullen we ook ingaan op het boek Handelingen.

Het goede nieuws voor de armen

Lukas begint zijn beschrijving van de bediening van Jezus in de synagoge in Nazaret (Lk 4:14-30). Door uitvoerig op de woorden van Jezus in te gaan gebruikt Lukas dit gebeuren als een soort missieverklaring van Jezus. Jezus citeert hier bijna de volledige woorden uit Jesaja 61:1-2, aangevuld met een zin uit Jesaja 58:6. De boodschap van Jezus is dat de Geest van de Heer op hem rust, en dat hij door God gezonden is om aan armen het goede nieuws (het evangelie) te verkondigen. Wat dit goede nieuws inhoudt wordt in de afsluitende zinnen aangeduid: Bevrijding van degenen die gevangen zijn en onderdrukt worden, of in schuld leven (Het jubeljaar betekende kwijtschelding van schulden die mensen hadden en herstel van wat fout is gelopen, zie Leviticus 25).

De daaropvolgende gebeurtenissen die Lukas beschrijft zijn illustraties van wat Jezus bedoelde met die woorden uit Jesaja. Hij bevrijdt iemand die bezeten was door een onreine demon (Lk 4:31-37). Hij geneest Petrus’ schoonmoeder van de koorts (Lk 4:38-41), en iemand anders van huidvraat (Lk 5:12-14). Hij geneest niet alleen een verlamde, maar vergeeft hem ook zijn zonden (Lk 5:17-26). En Jezus gaat aan tafel met zondaars en tollenaars (Lk 5:27-32). Als verderop in het verhaal de discipelen van Johannes de Doper de vraag overbrengen of Jezus wel de beloofde Messias is, dan keren de woorden van Jesaja weer terug. Jezus zegt hen aan Johannes te vertellen wat zij zien: Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd… aan armen wordt het goede nieuws bekend gemaakt (Lk 7:18-23). Dat wat God door Jesaja beloofd had is nu aan het gebeuren in de bediening van Jezus.

De armen waren in die tijd niet alleen maar de mensen die bijvoorbeeld geen land hadden en dus niet kapitaalkrachtig waren, maar ook de mensen die volgens de wet onrein waren vanwege hun ziekte, of door hun keuzes het etiket zondaar kregen opgeplakt. Tot deze groep behoorden ook de vrouwen en kinderen. Het zijn de mensen die niet meetelden en er buiten lagen.

Meer dan de andere evangelisten beschrijft Lukas hoe Jezus op deze groep mensen afstapt en hen erbij haalt. Hij beschrijft niet alleen de ontmoeting met de tollenaar Levi (Lk 5:27-29), maar ook met de hoofdtollenaar Zacheüs (Lk 19:1-10). Als enige omschrijft hij de vrouw die in het huis van Simon de voeten van Jezus wast als iemand die in de stad als zondares bekend stond (Lk 7:37). Regelmatig vinden deze ontmoetingen plaats rondom een maaltijd. Deze mensen zijn de verlorenen, voor wie Jezus gekomen is (Lk 19:10). Reeds in de lofzangen van Zacharias en Maria in de proloog van het evangelie is deze focus verwoord: “Wie gering is geeft hij aanzien, wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen”(Lk 1:52-53). Het stralende licht zal “verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood” (Lk 1:79).

Deze aandacht voor de armen, degenen die verloren zijn wordt Jezus niet in dank afgenomen. Als Jezus het huis van Levi binnengaat dan morren de Farizeeën en schriftgeleerden dat hij eet met tollenaars en zondaars (Lk 5:30). Als Jezus een vrouw die als zondares bekend stond toestaat om hem te verzorgen neemt de gastheer daar aanstoot aan (Lk 7:36-50). Als Jezus weer eens dit verwijt hoort (Lk 15:1-2) dan legt hij in drie gelijkenissen uit waarom hij zo handelt. De eerste twee gaan over de vreugde van het vinden wat verloren is (Lk 15:3-10). Ze laten iets zien van wie God is: “Zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben” (Lk 15:7). God is vol barmhartigheid voor wat verloren is en doet er alles aan om het verlorene te vinden en daarom trekt Jezus op met mensen die in de ogen van de leiders van het volk vermeden moesten worden. De derde gelijkenis is het bekende verhaal van de verloren zoon. Maar vanuit de context is duidelijk dat Jezus het vertelde aan de Farizeeën om de rol van de oudste zoon te benadrukken. De Farizeeën zijn als de oudste zoon die zich niet kan vinden in het handelen van de vader en niet blij kan zijn.

Een nieuw soort gemeenschap

In zijn onderwijs aan zijn discipelen in hoofdstuk 6 gaat Jezus in op wat hij van zijn discipelen verwacht en door welke waarden de gemeenschap van zijn volgelingen gekarakteriseerd moet worden. Het begint met een omschrijving van hoe Jezus in het licht van het goede nieuws naar de wereld kijkt (Lk 6:20-26). De armen zijn gelukkig te prijzen, maar de rijken staat niet veel goeds te wachten. Zij die honger hebben zullen verzadigd worden, maar zij die nu veel hebben zullen honger krijgen. De treurenden zullen lachen, maar zij die nu vrolijk zijn zullen huilen. Degenen die beschimpt worden zijn gelukkig te prijzen. Jezus zet hier de wereld op z’n kop. Dit is meer dan alleen een visioen van hoe het later zal zijn; in Jezus is dit rechtzetten reeds begonnen. De genezingen die Jezus doet getuigen hiervan en aan de tafel wordt dit nu reeds gevierd.

Hoe radicaal anders Jezus is wordt duidelijk in het volgende gedeelte (Lk 6:27-35) waar hij spreekt over het lief hebben van de vijanden en over goed zijn voor de mensen die je haten (Lk 6:27). In de door de wet gereguleerde samenleving werden mensen op grond van allerlei criteria buiten gesloten. Zondaars en tollenaars moesten vermeden worden. Onreinen moesten in afzondering leven. Samaritanen en heidenen waren buitenstaanders. In het verloop van het evangelie worden de vertegenwoordigers van dit “systeem” de vijanden van Jezus. In hun ogen overtreedt Jezus de regels en moet hij uiteindelijk uit de weg geruimd worden. Maar Jezus kijkt zo niet, en wil ook niet dat zijn discipelen zo handelen.

Wanneer iemand ons vijandig, gemeen of lelijk behandelt, dan trekken wij ons van die persoon terug. Er komt een scheidingslijn, en de vijand staat dan aan de andere kant van die lijn. Zo maken we onderscheid. Maar Jezus vraagt van zijn discipelen om net zo te handelen ten opzichte van de “vijanden” aan de andere kant van de lijn als hoe zij ten opzichte van hun groepsgenoten aan hun kant van de lijn zouden handelen (lief hebben, goed doen, geld lenen zoals uit de voorbeelden van 6:32-34 blijkt). Dus om net zo joviaal en vol vertrouwen te zijn naar de mensen die ons lelijk behandelen en wantrouwen. Jezus roept zijn discipelen op om tegen onze vijanden zo te doen alsof ze geen vijanden zijn. En als zij dan slaan, sla dan niet terug zoals je dat ook niet bij een vriend zou doen. Blijf goed doen zonder iets terug te verwachten.

Tot slot geeft Jezus ook nog aan waarom de discipelen zo moeten handelen. Omdat God een God is die geeft, en omdat zijn goedheid niet afhankelijk is van de reactie van de ander. God is goed voor degenen die ondankbaar en kwaadwillig zijn (Lk 6:35). “Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is” (Lk 6:36).  Van de discipelen wordt verwacht dat zij Gods karakter van barmhartigheid weerspiegelen.

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lk 10:25-37) is een mooie illustratie van de houding die Jezus van zijn discipelen verwacht. De aanleiding is de vraag van een wetgeleerde wat hij moet doen om aan het eeuwige leven deel te krijgen. Jezus geeft hem dan als antwoord het dubbele liefde gebod; heb God de Heer lief en uw naaste als uzelf, waarop de wetgeleerde vraagt wie zijn naaste is. Dan vertelt Jezus hem het verhaal van de reiziger die onderweg van Jeruzalem naar Jericho overvallen wordt, maar die niet door de priester en leviet geholpen wordt maar door een Samaritaan, die medelijden had met de man. Aan het einde van het verhaal draait Jezus de vraag van wie mijn naaste is om, en vraagt wie de naaste van het slachtoffer is geworden. Met andere woorden, wie heeft er als naaste gehandeld? Het denken van de priester en de leviet verhinderde hen om barmhartigheid te tonen aan iemand die een naaste nodig had. De Samaritaan werd door medelijden gedreven en gaf zichzelf zonder iets terug te verwachten.

Om op deze wijze een discipel van Jezus te zijn en actief te participeren in deze geheel andere gemeenschap is er een innerlijke verandering nodig. Het is de bekering, die Johannes de Doper reeds verkondigde, zodat vruchten worden voortgebracht die een nieuw leven waardig zijn (Lk 3:3,8), en ook Jezus benoemt hier de vruchten die uit het hart van de mens voortkomen (Lk 6:43-45). Om het karakter van God te weerspiegelen zal de discipel zich alles van de leermeester eigen moeten maken (Lk 6:40). In Handelingen zal Petrus op Pinksteren heel duidelijk stellen wat iemand moet doen om tot deze kring van discipelen van Jezus toe te treden: “Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden” (Hand. 2:38).

Deze bekering is een verandering van denken over God. Het houdt in zicht ontvangen op de goedheid van God, die goed is voor wie ondankbaar en kwaadwillig is (Lk 6:35). Het betekent zicht ontvangen op God die het verlorene zoekt en zich meer verheugt over één zondaar dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben (Lk 15:15:7). Het betekent ook  vertrouwen dat God als een goede vader voor zijn kinderen zorgt zodat zijn discipelen zich niet hoeven te laten leiden door de zorgen over status, voedsel en kleding (Lk 12:22-34).

Nodig de armen, kreupelen, blinden en verlamden uit

Veel sterker dan Markus en Matteüs schildert Lukas de reis van Galilea naar Jeruzalem als een gelegenheid die Jezus aangrijpt om met zijn leerlingen te spreken over discipelschap. In Lk 9:51 gaat Jezus vastberaden op weg naar Jeruzalem, en tegen het einde van hoofdstuk 19 trekt hij Jeruzalem binnen. In de tussenliggende hoofdstukken spreekt Jezus veelvuldig tot zijn discipelen en de omstanders. We zijn al op enkele van de ontmoetingen ingegaan die Lukas in deze hoofdstukken beschrijft, alsook op het onderwijs van Jezus, en willen nu nog ingaan op een gebeurtenis die in hoofdstuk 14:1-25 wordt beschreven.

Jezus wordt op de sabbat voor de maaltijd uitgenodigd in het huis van een vooraanstaande Farizeeër. De gebeurtenis en de woorden van Jezus spelen rondom een maaltijd. Lukas geeft zowel in zijn evangelie als in Handelingen veel aandacht aan de maaltijden, die hierdoor een sterk symbolische betekenis krijgen. Een maaltijd is meer dan alleen maar eten, het is eveneens een sociale ontmoeting en een viering van verbondenheid waar elke cultuur bepaalde regels voor heeft. Eveneens geeft de maaltijd een grens aan; wie is uitgenodigd en mag deelnemen en wie niet. De Farizeeën hadden hier strikte regels voor en zoals uit het gebeuren blijkt handelt Jezus vanuit heel andere normen en waarden. Bij Jezus is de tafel vaak de plaats waar de “verkeerde” mensen mogen aanschuiven (Lk 5:29-32; 7:34, 36-50; 15:1-2; 19:1-10).

Vanaf het eerste moment heerst er aan de tafel een gespannen sfeer. Vanwege zijn reputatie wordt Jezus in de gaten gehouden. Maar Jezus zelf voert de spanning ook op door de aanwezigheid van iemand met waterzucht aan te grijpen om de vraag te stellen of de regels omtrent de sabbat terzijde geschoven mogen worden om iemand te genezen of te redden. Jezus maakt hier duidelijk dat het brengen van verlossing en bevrijding voor God voorrang heeft boven regels omtrent reinheid. Hij is gekomen om wie verloren is te redden en wie ziek is te genezen.

In het verhaal dat Jezus vervolgens vertelt gaat hij in op wat hij aan de tafel zag gebeuren. Het gaat over tafel etiquette, die in overeenstemming moet zijn met de bediening van Jezus om het verlorene te zoeken. Jezus zag dat de genodigden de ereplaatsen voor zichzelf hadden gekozen overeenkomstig hun sociale status. De beste plaats voor de meest geziene gast. Maar Jezus draait het om: “Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats” (Lk 14:10). Jezus wijst de mensen op een nederige houding, die in overeenstemming is met de waarden van het koninkrijk van God, waar wie zichzelf verhoogt vernederd zal worden, en wie zichzelf vernedert verhoogd zal worden (Lk 14:11). Hierin horen we de echo van de lofzang van Maria zoals al eerder aangehaald. De boodschap van de gelijkenis is niet om laag te beginnen en hoog te eindigen. Zij toont een radicaal alternatief voor wat in die wereld heel gebruikelijk was, dat mensen naar hun sociale status behandeld worden. In de kring van discipelen is iedereen gelijk.

In het tweede voorbeeld werkt Jezus dit alternatief nog verder uit door in te gaan op wie voor de maaltijden worden uitgenodigd. De boodschap van Jezus is om niet mensen te vragen die uit dankbaarheid of respect iets terug kunnen doen en bijvoorbeeld een tegenuitnodiging kunnen doen. “Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit… Zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen” (Lk 14:14). Jezus keert hier de handelwijze “voor wat, hoort wat” om en vraagt van zijn discipelen om goed te doen zonder iets terug te verwachten.

Met deze twee voorbeelden schetst Jezus de waarden die binnen de kring van zijn discipelen hoog gehouden moeten worden; nederigheid en zichzelf gevende barmhartigheid die niets terug verwacht. Met deze karakterisering laat Jezus de tegenstelling zien tussen hoe het er in de wereld aan toe gaat en hoe het onder zijn discipelen behoort te zijn. Dat dit een omslag van denken vereist wordt duidelijk in de derde gelijkenis die Jezus aan de tafel vertelt (Lk 14:15-24). Als iemand een groot feestmaal heeft georganiseerd en de genodigden allemaal verstek laten gaan omdat ze te druk bezig zijn met hun eigen zaken, dan lijkt het alsof de heer des huizes denkt aan de woorden van Jezus in vers 13. Hij wijzigt zijn plan en geeft dan opdracht de armen, kreupelen, blinden en verlamden uit te nodigen. En als er dan nog steeds plaats is geeft hij opnieuw opdracht om op de wegen en akkers buiten de stad nog meer mensen uit te nodigen, want zijn huis moet vol zijn.

Na deze gebeurtenissen aan tafel gaat Lukas verder met zijn verhaal en vertelt hij hoe Jezus verder reist en de mensenmenigte onderwijs geeft. Maar desondanks sluit wat Jezus hier zegt aan op het voorafgaande gedeelte in 14:1-24. Jezus heeft het over navolging en een commitment maken om vanuit een andere gerichtheid te leven, los van de aardse banden en verplichtingen van familie (Lk 14:26-27), bevrijd van de aardse bezittingen (Lk 14:33), want alleen zo kan de gemeenschap van discipelen een impact hebben in de wereld zoals zout smaak geeft aan het eten.

Bepalend is hoe men op Jezus reageert. Johannes de Doper had al opgeroepen tot inkeer en verandering van leven (Lk 3:8). In het evangelie zien we hoe verschillend de mensen reageren, en steeds komt de positieve reactie van de mensen van wie we het juist niet zouden verwachten. Een hooggeplaatst persoon kan geen gehoor geven aan de oproep van Jezus om zijn bezittingen te verkopen en aan de armen te geven en hem na te volgen (Lk 18:18-23). Maar Zacheüs, de hoofdtollenaar geeft de helft van zijn bezit weg aan de armen en hij vergoedt iedereen viervoudig wat hij hen heeft afgeperst (Lk 19:1-10). Van de tien mensen die van huidvraat genezen worden keerde er slechts één terug om Jezus te danken. En dat is nu uitgerekend een Samaritaan (Lk 17:11-19). En van de Farizeeër en de tollenaar die naar de tempel gingen om te bidden, werd de laatste als rechtvaardig gezien in de ogen van God (Lk 18:9-14).

De Handelingen van de apostelen

Lukas schetst in zijn tweede boek Handelingen de gemeente in Jeruzalem als de voortzetting van de bediening van Jezus. Zoals Lukas nadrukkelijk vertelt hoe Jezus vervuld van, en gesterkt door de heilige Geest (Lk 4:1,14) zijn bediening in Nazaret begint met het citeren van de woorden van Jesaja dat de Geest op hem rust, zo schildert hij ook het begin van de gemeente in Handelingen 2. Bij zijn afscheid had Jezus die Geest ook beloofd; “Wanneer de heilige Geest over jullie komt zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot de uiteinden van de aarde”(Hand. 1:8). De armen in het evangelie zijn in Handelingen de heidenen geworden. Beide groepen worden uitgenodigd te participeren in de gemeenschap van discipelen van Jezus, waar de tegenstellingen die mensen in de wereld gescheiden houden van elkaar weg vallen.

De onderlinge gelijkwaardigheid in de gemeente, die zo radicaal anders is dan wat in de samenleving gebruikelijk is komt ook tot uitdrukking in het citaat uit Joël. Wanneer God zijn Geest uitstort zullen niet alleen de apostelen en andere leiders profeteren, maar alle zonen en dochters, jongeren en ouderen, dienaren en dienaressen (Hand. 2:17-18). De enige voorwaarde is bekering zoals Petrus aan de mensen op Pinksteren laat weten (Hand. 2:38). En op een cruciaal moment in de voortgang van de kerk, als Petrus in het huis van Cornelius spreekt, waar hij schoorvoetend naar toe is gegaan, wordt de Geest even spontaan als op Pinksteren uitgestort over deze groep niet-Joden (Hand. 10:44; zie Petrus’ terugblik in Hand. 11:17 op die ervaring). Bekering en de Heilige Geest maken de leden van de gemeente tot een gemeenschap waarin iedereen gelijk is in Christus.

De omschrijvingen die Lukas op twee plekken van de gemeente geeft (Hand. 2:43-47; 4:32-35) onderstrepen dit verder. Ze verkochten hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden zodat niemand onder hen enig gebrek had. Niemand beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, maar zij hadden alles gemeenschappelijk. Ook de maaltijden vierden zij gemeenschappelijk in een geest van eenvoud en vol vreugde.  Dit is de gemeenschap waar Jezus over sprak tegen zijn discipelen. De kerk in Handelingen is een nieuwe gemeenschap die de woorden van Jezus hoort en doet.

Er is een kort gedeelte in Handelingen 5:12-16 over de wonderen en tekenen die de apostelen verrichten onder het volk. De zinnen in deze omschrijvingen lijken direct uit het evangelie overgeplaatst te zijn naar het boek Handelingen. Zoals de mensen de zieken naar Jezus brachten, zo stromen nu de mensen vanuit de steden rondom Jeruzalem toe en brengen de zieken en mensen met een onreine geest mee, en allen worden genezen. De kerk zet de bediening van verlossing die Jezus was begonnen voort.

Hoe had ik hem daar dan van kunnen weerhouden?

Het boek Handelingen beschrijft wat er gebeurt als de Heilige Geest aan de gemeente geschonken wordt. Het beeld dat geschetst wordt is van steeds groter wordende concentrische cirkels die vanuit Jeruzalem gaan tot aan de uiteinden van de aarde. Deze beweging wordt ingezet door de Heilige Geest die de gemeente voortstuwt over een aantal cultuurgebonden barrières heen. Deze beweging is niet het gevolg van een missionair beleidsplan dat de gemeente heeft opgesteld, maar de gemeente wordt door de ontwikkelingen steeds voor het blok gezet om een nieuwe stap te zetten. En bij iedere stap zijn er mensen die zich geleid weten door de Heilige Geest en anderen weten mee te nemen die in eerste instantie terughoudend hebben gereageerd.

Het begint al direct op Pinksteren. De uitstorting van de Geest op de groep van 120 trekt zo de aandacht van de omstanders dat de apostelen bevraagd worden over wat er gaande is. En nadat Petrus tekst en uitleg heeft gegeven komt er opnieuw een vraag: “Wat moeten wij doen?” (Hand. 2:37), waarop Petrus de oproep doet hun leven te veranderen en zich te laten dopen. Wie deze gebeurtenis vergelijkt met wat Lukas schrijft over Johannes de Doper (Lk 3:1-22) ziet enorme overeenkomsten. Op Pinksteren wordt vervuld wat Johannes had aangekondigd; de Geest wordt uitgestort, zonden worden vergeven zodat mensen anders gaan leven. Het gevolg is dat op die ene dag 3000 aan de groep van 120 worden toegevoegd (Hand. 1:15; 2:41). Daar hebben de discipelen niets voor hoeven doen behalve getuigen van wat de Geest onder hen gedaan heeft.

Ook problemen worden door God gebruikt om de gemeente op weg te helpen haar missie te vervullen. Op een gegeven moment ontstaat er een spanning tussen twee groepen in de gemeente. De Griekssprekende gelovigen verwijten de Aramees sprekende gelovigen dat zij de weduwen uit hun groep negeren (Hand. 6:1). Als er dan een speciale groep van zeven wijze mannen wordt aangesteld om aan deze ongelijke behandeling in de gemeente iets te doen, ontpopt Stefanus zich als een evangelist die door Gods genade en kracht grote wonderen en tekenen onder het volk doet (Hand. 6:8). Die handelwijze brengt hem in conflict met een groep Joden van een bepaalde synagoge in Jeruzalem. Het resultaat is bekend; Stefanus wordt de eerste martelaar van de gemeente, waarop er een vervolging van de gemeente plaatsvindt zodat allen verspreid worden over Judea en Samaria (Hand. 8:1).

Lukas gaat in zijn verhaal mee op de vlucht, en vertelt in hoofdstuk 8 van de moedige stap die Filippus zet door het evangelie aan de Samaritanen te verkondigen. Als de apostelen in Jeruzalem hiervan horen sturen ze Petrus en Johannes naar Samaria, die voor de mensen bidden opdat ook zij de Heilige Geest zullen ontvangen. Hoe we het precies moeten zien dat zij wel gedoopt waren maar nog niet de Heilige Geest hadden ontvangen (8:15-17) is niet duidelijk. Belangrijk is te onderstrepen dat de gave van de Geest volledige gelijkwaardigheid garandeert, ook als het een bevolkingsgroep zoals de Samaritanen betreft met wie de Joden op gespannen voet leefden. Dat de apostelen deze mensen de handen opleggen laat zien dat de leiders uit Jeruzalem deze “religieuze rivalen” als hun broeders en zusters aanvaarden. In beweging gezet door de vervolging, neemt Filippus de moedige stap om het evangelie ook aan deze groep te brengen met wie zij normaliter geen contact hadden. Zo wordt de jonge gemeente in staat gesteld een enorme religieus-culturele barrière te nemen.

In hoofdstukken 10 en 11 neemt Lukas uitgebreid de ruimte om over een verdere stap te schrijven. Lukas vertelt het verhaal met twee startpunten, waaruit overduidelijk is hoe deze gebeurtenis door de Heilige Geest gearrangeerd is. Hij begint te vertellen hoe een Romeinse centurio, Cornelius, die waarschijnlijk regelmatig een Joodse synagoge bezocht, in een visioen wordt duidelijk gemaakt om Petrus te halen (10:1-8).  Terwijl de dienaren op zoek zijn naar Petrus, richt Lukas nu de aandacht op Petrus, die eveneens een visioen ontvangt dat hem voorbereidt op de ontmoeting en de vraag die aanstaande is om met vreemde mensen mee te gaan naar het huis van een heiden, die God vereert (Hand. 10:9-23).

Als Petrus de volgende dag Cornelius ontmoet vertelt hij hem van zijn worsteling: “U weet dat het Joden verboden is met niet-Joden om te gaan en dat ze niet bij hen aan huis mogen komen, maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen. Daarom heb ik me niet verzet toen ik naar u toe werd gestuurd” (Hand. 10:28-29). Maar hij weet nog niet waarom hij naar Cornelius moest komen. Als Cornelius dan zijn verhaal vertelt wordt het Petrus duidelijk: “Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, maar dat hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor hem heeft en rechtvaardig handelt”(Hand. 10:34-35). En terwijl Petrus zo aan het woord is, daalt de heilige Geest neer op iedereen die naar zijn toespraak luistert (Hand. 10:44). Als zij vol verbazing zijn dat ook de heidenen de Heilige Geest hebben ontvangen, zegt Petrus: “Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu zij net als wij de heilige Geest hebben ontvangen”(Hand. 10:47).

Hoe nieuw en schokkend deze stap van Petrus is blijkt als hij terugkeert in Jeruzalem waar hem verweten wordt dat hij onbesnedenen had bezocht en met hen had gegeten (Hand. 11:1-2). Ook hier zien we hoe maaltijden aan allerlei religieuze regels gebonden waren. Als Petrus zijn verhaal vertelt zegt hij uiteindelijk: “Als God hun wegens hun geloof in de Heer Jezus Christus hetzelfde geschenk wilde geven als ons, hoe had ik hem daar dan van kunnen weerhouden?” (Hand. 11:17). En dan zijn allen gerustgesteld en loven God.

Maar de gemeente in Jeruzalem is nog niet waar God haar wil hebben. Nu wordt een andere gemeente gebruikt om de leiders over een nog grotere barrière te helpen. Cornelius had al enige kennis van God en vereerde hem al, maar hoe zit het met de heidenen die geen enkele kennis van de God van Abraham, Izaäk en Jakob hebben en zo heel anders leven? In Handelingen 11:19 pakt Lukas de draad van zijn verhaal weer op, en vermeldt weer even de vervolging als gevolg van de onderdrukking die na de dood van Stefanus was begonnen. Hij vertelt hoe de nieuwe gelovigen verder trokken en in Antiochië komen. En daar besluiten ze om het evangelie ook aan de Grieken zonder enige voorkennis te vertellen. Als ze in Jeruzalem hiervan horen wordt Barnabas naar Antiochië gestuurd, en Lukas vermeldt hoe Barnabas zich verheugde over wat hij zag “wat God in zijn goedgunstigheid had bewerkt” (Hand. 11:23). Lukas zegt dus heel nadrukkelijk dat dit het werk van God was. Dit was geen menselijk beleid, maar de uitwerking van Gods verlossingsplan.

Barnabas, van wie Lukas eveneens als van Stefanus zegt dat hij een diepgelovig man is vol van de heilige Geest (Hand. 6:5,10; 11:24), gaat op zoek naar Saulus om met hem samen te werken in de gemeente in Antiochië (Hand. 11:25-26). Later, op een dag toen de gemeente aan het vasten en bidden was wordt het de gemeente door de Heilige Geest ingegeven om Barnabas en Saulus uit te zenden om het evangelie aan de Grieken te brengen. En zo worden deze twee uitgezonden door de heilige Geest (13:1-4). Na hun reis vertellen zij in de gemeente in Antiochië hoe God voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend (Hand. 14:27). Maar dan ontstaat er een discussie over de vraag of deze mensen zich moeten laten besnijden, die tot grote onenigheid en een felle woordenstrijd leidt, waarop besloten wordt de vraag voor te leggen aan de gemeente in Jeruzalem (Hand. 15:1-2).

Ook in Jeruzalem leidt dit tot een hevige woordenstrijd (Hand. 15:6) totdat Petrus het woord voert. En evenals in hoofdstuk 11 zegt hij nu opnieuw: “God… heeft blijk gegeven van zijn vertrouwen in de heidenen door hun de heilige Geest te schenken, zoals hij die ook aan ons geschonken heeft. Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen?” (Hand. 15:8-10). Dan wordt het stil en ontstaat er ruimte om te luisteren naar Barnabas en Paulus, die spreken over de grote wonderen en tekenen die God onder de heidenen had gedaan.

Daarna staat Jakobus op die het voorstel indient om de nieuwe gelovigen uit de heidenen geen al te zware lasten op te leggen, maar dat zij zich moeten onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf (Hand. 15:13-21).  En dit besluit wordt vervolgens via een brief aan de gemeentes gecommuniceerd.

Het beeld van de gemeente die voortgestuwd wordt door de Heilige Geest en op haar weg geholpen wordt om religieuze, culturele en maatschappelijke barrières te nemen om een inclusieve gemeenschap te worden door geloof in Jezus Christus moet nog op één heel belangrijk punt aangevuld worden. De gemeente die zo door de Geest geleid wordt is eveneens een gemeente die God zoekt door het gebed. Lukas vertelt hoe de gemeente of personen op kritieke momenten in gebed zijn, of dat door hun gebeden nieuwe situaties ontstaan (o.a. 1:14,24; 2:42; 4:31; 6:6; 8:15; 9:40; 9:11; 10:9; 12:5; 13:2-3; 16:25).

Wat nemen we mee voor ons als kerk?

Lukas beschrijft hoe de beloften van Gods verlossing in Jezus vervuld worden en hoe de gemeente die bediening na Pinksteren voortzet. Zoals Jezus zijn discipelen meeneemt op weg, zo zet in Handelingen de Heilige Geest de gemeente in beweging zodat de verlossing alle mensen bereikt. De verlossing die Jezus brengt betekent bevrijding van alles wat mensen van God en van elkaar gescheiden houdt, zoals ziekte, schuld, gebondenheid, bezit, status etc. De kring rondom Jezus wordt gekenmerkt door vergeving, nederigheid,  barmhartigheid voor wat verloren is en onvoorwaardelijke liefde. Dit maakt van de groep navolgers van Jezus een radicaal andersoortige gemeenschap dan wat onder mensen gebruikelijk is. Hoe anders zo’n gemeenschap eruit ziet laat Lukas in de eerste hoofdstukken van Handelingen zien. In dat boek is veel aandacht voor de zoektocht van de kerk om een inclusieve gemeenschap te zijn van Joden, Samaritanen en heidenen door hun geloof in Jezus Christus. Wat betekent dit voor onze kijk op de gemeente vandaag?

1.De gemeente en haar leden vormen het kanaal van Gods verlossing naar de wereld. De kerk heeft tot taak het evangelie te brengen, en dat betekent goed nieuws voor mensen die verloren zijn. De woorden van Jesaja die Jezus citeert zijn ook van toepassing op de bediening van de kerk. Wij hebben goed nieuws van bevrijding voor mensen die niemand hebben, die er buiten liggen of buiten alles staan. Zoals Jezus op de zondaars en tollenaars toestapte en toegankelijk was voor alle zieken, en zoals de vertegenwoordigers van de gemeente zoals Filippus, Petrus, Barnabas en Paulus de moed hadden om over allerlei, door mensen gevormde, barrières heen te stappen, zo behoort de kerk ook de hand uit te steken naar groepen in onze samenleving die vergeten zijn, gediscrimineerd worden, achtergesteld worden. Een open kerkgebouw waar geen buitenstaander naar binnen durft te komen is geen goed nieuws, maar wel goed nieuws is een kerk die in Christus op de mensen toestapt.

Het goede nieuws dat de kerk brengt wordt bepaald door het karakter van God. We moeten onze theologie, onze woorden over God, richten op wat Jezus ons van God laat zien. Jezus leert ons dat God zich meer verheugt over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben (Lk 15:7), en dat God is als de vader die voor zijn teruggekeerde jongste zoon het gemeste kalf slacht om zijn thuiskomst te vieren (Lk 15:23). Deze theologie moet onze daden als kerk bepalen. En zoals God goed is voor wie ondankbaar en kwaadwillig zijn (Lk 6:35), zo moet de kerk goed doen en barmhartig zijn naar alle mensen. Dit is het goede nieuws dat de kerk te brengen heeft.

De tafelgemeenschap die Jezus had met de “verkeerde” mensen, en waar veel mensen negatief over spraken omdat die handelwijze van Jezus tegen allerlei etiquette en regels in ging, moet ons als kerk alert maken. We moeten enerzijds de vraag stellen of onze gemeenschap zo’n feesttafel biedt aan de zondaars, tollenaars, armen, kreupelen, verlamden en blinden in onze samenleving. Anderzijds moeten we onszelf onderzoeken om te kijken waar de “Farizeeër” in ons zit die zegt dat zo iets niet kan.

In onze samenleving is de kerk niet alleen gemarginaliseerd, maar wordt in de publieke opinie ook vaak afgeschreven als een uitstervend instituut. Vaak worden ook allerlei negatieve etiketten op de kerk geplakt, die eerder van vooroordelen getuigen dan van juiste kennis. In zo’n situatie moet de kerk zijn als de barmhartige Samaritaan. Voor de luisteraars van die gelijkenis was deze persoon de minst waarschijnlijke kandidaat om de overvallen en gewonde reiziger te helpen. Zo kan de kerk in onze samenleving verrassen door de naaste te worden van de vele slachtoffers die onze samenleving kent. Zoals het in 1 Petrus 2:12 staat: “Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen…”.

2.De gemeente is een gastvrije gemeenschap waar gelijkwaardigheid in Christus heerst. De opdracht om goed nieuws te brengen zoals boven beschreven zegt ook iets over de gemeenschap die dat goede nieuws brengt. De momenten die Lukas beschrijft waar Jezus tafelgemeenschap heeft met allerlei verschillende mensen zijn een voorafspiegeling van de gemeente in Handelingen, waar ze het brood bij elkaar aan huis braken en hun maaltijden gebruikten in een geest van eenvoud en vol van vreugde (Hand. 2:46).

Met elkaar eten betekende ook elkaar als gelijkwaardig accepteren. Zonder het visioen zou Petrus niet met Cornelius en zijn huisgenoten aan tafel zijn gegaan omdat de religieuze regels dit niet toestonden. Er was een te groot onderscheid om zo maar met elkaar te eten. Maar het was Petrus duidelijk geworden dat God dit onderscheid niet maakt. De tafel etiquette die Jezus aan de gemeente geeft gaat zelfs nog verder dan dit inzicht van Petrus. Jezus heeft het over de minste plaats aan tafel uitzoeken (LK 14:10). Nederigheid is de kwaliteit die bepalend is in de gemeente van Jezus Christus, gepaard met een liefde voor de ander zonder iets terug te verwachten.

Het verhaal dat Lukas ons in de eerste 15 hoofdstukken van Handelingen vertelt getuigt van de worsteling van de gemeente in Jeruzalem om een inclusieve gemeenschap te worden van Christenen uit de Joden, Samaritanen en heidense volken. De manifestatie van de gave van de Heilige Geest is in Handelingen een duidelijk teken van Gods acceptatie van de gelovige en daarom kan Petrus bij Cornelius direct concluderen dat God hem aanvaard heeft. Voor ons werkt dit criterium zo niet meer. We zouden kunnen terugvallen op de voorwaarde die Petrus in Handelingen 2:38 formuleert: Bekering en doop onder aanroeping van Jezus Christus tot vergeving van zonden.

Het voert nu te ver om in te gaan op het criterium op grond waarvan iemand bij de gemeente van Jezus Christus hoort. Maar we kunnen slechts over een inclusieve gemeenschap spreken en over gelijkwaardigheid in de gemeente als er één criterium is op grond waarvan wij allen, hoe verschillend ook, één zijn. Hoe dit ook verder verwoord zal worden, dit criterium zal in Jezus Christus moeten liggen. Alleen wanneer Jezus Christus zoals ons geopenbaard in de Bijbel het centrum vormt van de gemeente vallen alle andere onderscheidingen zoals nationaliteit, etniciteit, geslacht, status, bezit etc. weg. Alleen in Christus kan de kerk een inclusieve gemeenschap zijn.

3.De gemeente is onderweg en wordt geleid door de Geest. Op verschillende momenten in Handelingen worden de Christenen “aanhangers van de weg” genoemd (o.a. Hand. 9:2; 18:25; 19:9; 22:4). Dit is een goede typering om de kerk als een gemeenschap van mensen te zien die op weg zijn. De kerk in Handelingen is een kerk die door de Heilige geest op pad gestuurd wordt de wereld in en onderweg met van alles geconfronteerd wordt. De weg die de kerk bewandelt is geen effen weg. Handelingen meldt bedrog van leden in hoofdstuk 5, nalatigheid en onderlinge spanning in hoofdstuk 6, ernstige woordenwisselingen in hoofdstukken 11 en 15, maar ook een zoeken en tasten naar de juiste weg, zoals we uit de verslagen van de zendingsreizen van Paulus kunnen opmaken. Ook zijn er tegenslagen zoals de terechtstelling van Stefanus en later van Jakobus, de broer van Johannes.

Op de weg die de gemeente gaat wordt zij steeds weer voor nieuwe uitdagingen geplaatst omdat de Geest in de gemeente werkzaam is en haar voortstuwt. Een missionaire gemeente is een gemeente die door de Heilige Geest wordt voortgestuwd. En als gevolg van het waaien van de Geest gebeurt er in zo’n gemeente van alles waar de leiders geen vat op hebben; het is een dynamische gemeente waar niet alles altijd even duidelijk is. Kortom, een missionaire gemeente heeft het niet altijd makkelijk. Dit vraagt om een bepaalde mate van flexibiliteit, maar ook om een sterke afhankelijk van God door het gebed. Niet voor niets wordt op verschillende momenten vermeld dat de gemeente in gebed bijeen was.

Een gemeente die door de Heilige Geest geleid wordt kan niet anders dan een biddende gemeente zijn die zoekend en tastend haar weg vindt. Het is een gemeente die niet de vraag stelt van wat zij wil of wat de gemeente besloten heeft, maar die steeds de vraag stelt: Wat is God aan het doen in en door onze gemeente? En in het zoeken van een weg zal de gemeente dan steeds aansluiten op het werk dat zij God ziet doen in haar eigen gemeenschap en daar buiten. Op deze wijze is het ook de gemeente die de navolging van Jezus praktiseert door God het initiatief te laten nemen en in gehoorzaamheid te volgen als zij zicht heeft op dit werk van Gods Geest. Hiertoe is de gemeente alleen maar in staat als zij het Woord steeds grondig bestudeert en God zoekt in haar gebeden.

Deze drie conclusies willen we meenemen in onze zoektocht. In het volgende artikel zullen we ingaan op het vierde evangelie, dat van Johannes, om dan in een volgend artikel met de inzichten die we in het lezen van de evangeliën hebben opgedaan het model van Romeinen 14-15 voor ons als Kerk van de Nazarener in Nederland verder uit te werken.

Suggesties voor gesprek

  1. Lees voor uzelf Lukas en Handelingen als twee delen van één werk. Herkent u dat verlossing het centrale thema is in beide boeken? Eén visie (Joel Green in zijn commentaar op Lukas in NICNT) op beide boeken zegt dat Lukas in zijn evangelie de mogelijkheid van verlossing in Christus beschrijft, en dat in Handelingen 2-15 de verlossing gerealiseerd wordt, en dat hoofdstukken 16-28 de resultaten van de verlossing beschrijven door de aandacht voor de zendingsreizen van Paulus. Vanuit deze visie vormt het apostelconvent in Handelingen 15 een hoogtepunt in het verhaal dat Lukas in beide boeken schrijft. Wat vind u van deze kijk die Handelingen 15 zo centraal stelt?
  1. Bespreek met elkaar de drie conclusies die in het artikel geformuleerd zijn op grond van de studie van Lukas en Handelingen. Wat betekenen deze drie conclusies voor u en hoe ziet u deze uitgewerkt in uw gemeente? Waar is in uw gemeente verbetering mogelijk, zo niet noodzakelijk?
  1. In de tweede conclusie werd ingegaan op het criterium om in de inclusieve gemeenschap van de gemeente te participeren. Er werd gezegd dat alleen de manifestatie van de vervulling met de Heilige Geest zoals Handelingen die beschrijft niet zonder meer gevolgd kan worden. Bent u het daarmee eens? Zo ja, welke criterium zou dan wel gehanteerd kunnen worden? Zo nee, hoe moet dit criterium dan vandaag in onze gemeentes toegepast worden?

Reageren

U kunt een email sturen naar alle leden van de kerngroep (Hans Deventer, Ed van Hoof, Stephen Overduin, Erik Groeneveld, Wilma en Antonie Holleman) en bijdragen aan het gesprek. In latere publicaties zullen we ook reageren op de ontvangen reacties. Het emailadres is: hetgesprek@kvdn.nl

De vorige artikelen kunt u vinden op het ledengedeelte van de website van de landelijke kerk, http://www.kvdn.nl, en op de blog https://antonieholleman.com.

Dit artikel of delen hiervan mogen overgenomen worden met vermelding van: Uitgave van de Kerk van de Nazarener – Nederland.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s