18 De kerk: Eén in Christus en een thuis voor velen

Samenvatting: Het artikel begint met te benadrukken dat het gesprek over homoseksualiteit gaat over God en mensen. Dit vraagt om respect en voorzichtigheid. Wat is nu het probleem? Dit kan vanuit de homoseksueel bezien worden en vanuit de kerkelijke optiek. Beide antwoorden vallen niet helemaal samen en de uitdaging waar we voor staan is hoe die beide zienswijzen bijeen gebracht kunnen worden in één perspectief waarin Christus en zijn gemeente centraal staan. De weg die wij voor ogen hebben wordt gekenmerkt door onze eenheid in Christus, de kerk als veilige en barmhartige gemeenschap, die de veelkleurige gemeenschap van het lichaam van Christus dient en ruimte kan scheppen indien nodig. Vervolgens wordt die weg uitgewerkt in zeven punten. Tot slot komen we nogmaals terug op het compromismodel van Romeinen 14-15, en gaan nog op twee praktische punten in.

In het beantwoorden van de vraag hoe we als kerk omgaan met homoseksuelen in onze gemeenschappen gaat het uiteindelijk niet over een thema maar over God en mensen. We komen te spreken over God zoals Hij zich heeft laten kennen in Jezus Christus. Het gaat in dit gesprek over discipelen van Jezus die samen gemeente zijn, zowel homoseksuelen als heteroseksuelen. Relaties staan dus centraal; tussen mensen onderling en tussen mensen en God.

Daarom willen we niet op een abstracte en onpersoonlijke manier spreken, maar vanuit de relaties die wij zelf onderhouden met mensen die wij kennen. We willen het hebben over hetero- en homoseksuele mensen die deel uitmaken van onze gemeentes, of over mensen in onze netwerken buiten de gemeente die we zouden willen uitnodigen om onze gemeente te leren kennen. We willen ook niet over de kerk in haar algemeenheid spreken, maar over de gemeentes waar we zelf deel van uitmaken, onze Kerk van de Nazarener in Nederland. Evenmin willen we algemeen over God spreken, maar over God zoals hij zich in Jezus heeft laten kennen, en met wie wij een persoonlijke relatie hebben.

Als we het over relaties hebben dan moeten we goed beseffen dat deze allemaal een geschiedenis hebben die van invloed is op het gesprek dat wij met elkaar voeren. Zo is kennis van Gods geschiedenis met Israël noodzakelijk voor een juist verstaan van Jezus. Zo heeft de Kerk van de Nazarener in het spreken over menselijke seksualiteit ook een bepaalde weg afgelegd, waarover we in de artikelen 9 en 17 hebben geschreven, evenals onze kerk in Nederland zoals vermeld in het eerste artikel. Eveneens nemen we onze persoonlijke geschiedenis mee in het gesprek, onze eigen worsteling, het niet weten en de twijfel, de pijn die wij gezien en zelf ervaren hebben. Er zal erkenning van ieders geschiedenis moeten zijn, zodat een ieder tot zijn of haar recht komt.

Het is onze hoop dat bij het lezen van deze artikelen er steeds mensen uit verleden en heden bovenkomen in de gedachten van onze lezers. Dat in het gesprek de verhalen van christelijke homoseksuelen die we gehoord hebben, of van dichtbij hebben meebeleefd een plek krijgen. Dit betreft zowel de verhalen van degenen die het als Gods wil zien dat zij celibatair leven als van degenen die een relatie zijn aangegaan. Maar dat eveneens in het gesprek aan de mensen gedacht wordt die op grond van hun interpretatie van de Bijbel een standpunt innemen dat door anderen als homofoob wordt gezien, alsook aan de mensen die het hele gesprek lastig vinden en het niet weten.

In dit laatste artikel willen we ons er extra van bewust zijn dat wij schrijven over en voor mensen die we kennen, mensen met wie we gemeente zijn, of die onze gemeente verlaten hebben, of van wie wij hopen dat zij de weg naar de gemeente (weer) vinden. En we hopen dat de mensen die geen persoonlijke ervaringen hebben met homoseksuelen in de gemeente, of gemeentes die hier niet diepgaand mee zijn geconfronteerd extra voorzichtig zullen zijn om te voorkomen dat zij uitspraken doen over situaties en mensen die zij onvoldoende kennen.

Wat is ons probleem?

Wat is nu het probleem met homoseksuele mensen in de gemeente? We kunnen er van twee kanten tegenaan kijken, vanuit de optiek van de homoseksueel zelf en vanuit de optiek van de gemeente. Het probleem vanuit de eerste optiek is dat homoseksuele gelovigen zich vaak niet veilig weten in de kerk en zich eerder getolereerd dan echt geaccepteerd voelen, ondanks de woorden over gastvrijheid en Gods liefde voor iedereen. Dit terwijl zij zelf juist zo op zoek zijn naar erkenning en een sterk verlangen hebben om erbij te mogen horen. Zij proeven de verlegenheid en ervaren dat zij een probleem zijn voor de kerk. Zij die een homoseksuele relatie aangaan voelen vervolgens vaak veroordeling. Soms durven zij de gemeente ook niet meer letterlijk onder ogen te komen. Zij lopen het gevaar dat tegen hen gezegd wordt dat zij als praktiserende homo’s bepaalde taken in de gemeente niet kunnen uitoefenen. Het komt ook voor dat hen geadviseerd wordt naar een andere kerk te gaan met een ruimer beleid. Hoe pijnlijk is dit als zij zich wel thuis voelen in de geloofsbeleving van de gemeente?

De optiek van de gemeente is net iets anders. De kerk komt uit een verleden toen de homoseksuele geaardheid als een zondige keuze werd gezien, een overtuiging die hier en daar nog aanwezig is. Maar in het algemeen wordt erkend dat de homoseksuele geaardheid niet het probleem vormt. Het probleem ontstaat wanneer besloten wordt een homoseksuele relatie aan te gaan, waarvan een groep mensen in de kerk vindt dat zij hiermee tegen Gods richtlijnen ingaan, en dus bewust in zonde leven. De kernvraag gaat over de status van deze homoseksuelen in de gemeente, en uit zich vaak in vragen over wat zij wel of niet mogen doen in de gemeente. Als dit gesprek wordt aangegaan loopt het vervolgens heel vaak uit op een gesprek over welke zonde dan wel of niet een argument is om iemand bijvoorbeeld niet voor een taak in de gemeente te vragen of van het avondmaal te weren. Kan iemand die bijvoorbeeld in onmin leeft met een medegelovige of aan porno verslaafd is wel aan het avondmaal deelnemen en een homo met een partner niet?

In gemeentes waar samenwonende homoseksuelen wel volwaardig deel kunnen uitmaken van de gemeenschap kan een ander probleem ontstaan als zij het verzoek doen voor het zegenen van hun relatie. Dan ontstaat er een discussie over de status van het huwelijk, een discussie die ook in de Protestantse Kerk (PKN) wordt gevoerd. De PKN maakt in haar kerkorde het onderscheid tussen het inzegenen van een heteroseksueel huwelijk en het zegenen van een homoseksueel huwelijk om aan te geven dat die twee niet geheel gelijk zijn aan elkaar. De huidige discussie binnen de PKN gaat over dit onderscheid dat door een bepaalde groep als discriminerend wordt gezien en homoseksuelen niet als volledig gelijkwaardig behandelt.[1]

De twee optieken, vanuit het oogpunt van de homoseksuelen en van de kerk, staan met elkaar in relatie als communicerende vaten. De discussie aan de kerkelijke kant, hoe zorgvuldig ook gevoerd, kan door de homoseksuelen als kwetsend ervaren worden als een gesprek dat over hun hoofden gevoerd wordt, en dat hen in meer of mindere mate buitensluit. Aan de andere kant kan het schijnbare gemak waartoe homoseksuelen besluiten een relatie aan te gaan aan de kerkelijke kant de indruk wekken dat zij het Woord van God minder serieus nemen, of ombuigen naar hun situatie. Als relaties in de gemeente niet sterk genoeg zijn om met elkaar diepgaand en persoonlijk in gesprek te zijn en te blijven, dan kan er verwijdering ontstaan en uiteindelijk polarisatie. Dan praten we niet langer over twee optieken maar over twee kampen.

De uitdaging waar we als Kerk van de Nazarener in Nederland voor staan is hoe we die beide optieken bijeen kunnen brengen in één perspectief waarin Christus en zijn gemeente centraal staan. Hiertoe willen we in dit artikel een aanzet geven.

Een weg vooruit

Na vele verkenningen in de voorgaande artikelen willen we nu een weg schetsen die we als een mogelijkheid voor de Kerk van de Nazarener in Nederland zien om nieuwe stappen te zetten. We beginnen met het beschrijven van vier kenmerken van de weg die ons voor ogen staat; drie kwaliteiten van de gemeente, en één concrete daad die het de kerk mogelijk maakt deze kwaliteiten zonder voorbehoud in te zetten.

Wij zijn één in Christus

Ons fundament is de belijdenis van Jezus Christus als Heer, en elke hetero, homo of biseksueel is op grond van deze belijdenis met de ander verbonden als broer of zus in Christus. Op grond van dit geloof zijn wij behouden. Dit behoort het vertrekpunt te zijn voor ons gesprek. Dit betekent dat het gesprek over onze eigen kinderen gaat, die in de kerk zijn opgedragen en/of gedoopt, die naar de zondagsschool en de NJI zijn gegaan en zich thuis voelen in onze gemeente. Het gaat om onze medegelovigen die op hun weg met Jezus, of op hun zoektocht naar Jezus de weg naar onze gemeente gevonden hebben en zich thuis voelen en inzetten voor de gemeente. Zoals we in artikel 16 geschreven hebben, we horen bij elkaar, we zijn één lichaam, één grote familie. Het gesprek over homoseksualiteit is weliswaar een heel belangrijk gesprek, maar het raakt niet het fundament van de verlossing in Christus. Verschil van mening in dit gesprek behoeft de eenheid van de gemeente niet te schaden.

Wat we hiermee uitdrukken is dat homoseksuele geaardheid geen belemmering is om te geloven. Terwijl heteroseksuelen vaak hun seksualiteit als normaal of vanzelfsprekend accepteren zonder daar heel diep over na te denken, kan de gewaarwording van een andere geaardheid voor homoseksuelen juist aanleiding zijn voor een verdieping van hun relatie met God. Verschillende verhalen van gelovige homoseksuelen getuigen hiervan. De kerk zal er voor moeten waken om geestelijke volwassenheid enkel en alleen te koppelen aan een heteroseksuele oriëntatie. Je kunt dus even goed een heel toegewijd Christen zijn en vallen op mensen van hetzelfde geslacht.[2] Op dit punt is onderwijs binnen de kerken noodzakelijk, alsook het getuigenis van homoseksuele gelovigen.

Een veilige en barmhartige gemeenschap

De ontdekking dat iemand op mensen van hetzelfde geslacht valt is veelal een schokkende ervaring. De schattingen van het aantal homo- en biseksuelen in Nederland (ergens tussen de 4% en 7% volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau)[3] laten zien dat je als homoseksueel anders bent dan de meeste mensen. Als homoseksueel behoor je tot een minderheid in de Nederlandse samenleving. De ervaring en het accepteren van het “anders” zijn vormt vaak de grote worsteling. Wat deze mensen aangeven is dat zij juist de behoefte hebben om in hun anders zijn er bij te horen. In het leren omgaan met hun eigen seksuele oriëntatie hebben zij juist de acceptatie van de gemeenschap nodig. De eerste en primaire reactie van de kerk behoort dan ook compassie te zijn; bewogenheid om hun situatie. In de evangelieverhalen zien we dat dit steeds de reactie van Jezus is naar de mensen die er niet bij hoorden. Gewoon omdat zij anders zijn dan de meerderheid, en daardoor zo kwetsbaar. Ook omdat zij in onze samenleving vaak discriminerende en vijandige reacties ontvangen behoort de kerk in naam van Jezus hen met barmhartigheid in haar gemeenschappen op te nemen. Juist de kerk behoort voor deze groep mensen veilig te zijn.

Dat het op dit punt in vele kerkelijke gemeenschappen vaak fout gaat is iets dat wij ons enorm moeten aantrekken. Ook moeten we ons ervan bewust zijn dat de kerk haar geschiedenis tegen zich heeft. Op grond van het verleden zijn homoseksuelen uiterst alert en begeven zij zich in onze kerkelijke gemeenschappen met wijd open ogen en gespitste oren, aftastend of het er wel veilig is. De argwaan naar de kerk is groot omdat zij vaak hebben ervaren dat woorden van acceptatie, liefde en gastvrijheid niet worden waargemaakt.

De grootste winst is te behalen in het verbeteren van het klimaat binnen onze kerken, zodat onze woorden over liefde, acceptatie en barmhartigheid ook zo ervaren worden. Hier is meer voor nodig dan alleen maar open gesprek en onderwijs, de kerk zal zelf ook concreet bepaalde stappen moeten zetten om uit de schaduw van haar eigen verleden weg te komen. Dit verbeteren van het klimaat binnen onze kerken is juist zo belangrijk voor onze kinderen. Voor hen moet de kerk veilig zijn als zij worstelen met hun seksuele geaardheid. Zij moeten zich juist vrij en veilig voelen om met leeftijdgenoten, jeugdleiders en pastors over hun geaardheid te praten.

Een veelkleurige, dienende gemeenschap

De ervaring leert dat in de plaatselijke gemeentes de diversiteit aan meningen en overtuigingen is toegenomen. De tijd van de verzuiling is voorbij, waarin kerkelijke gemeenschappen op dezelfde sportverenigingen zaten en een min of meer gelijke politieke overtuiging hadden. Ook de theologische verschillen binnen de kerken zijn toegenomen. De levensverhalen van de mensen in de kerken zijn veel meer divers dan 50 jaar geleden. De kerkelijke en para-kerkelijke achtergrond van de Nazareners in Nederland laat een enorme diversiteit zien, maar ook de verhalen van de kinderen die in onze kerken opgroeien zijn veel kleurrijker dan in het verleden. De pluriformiteit in onze samenleving is ook steeds meer in de gemeente terug te vinden.

We weten dit en toch zit in ons denken nog een beeld van de gemeente die eensgezind is in haar denken en handelen. Toch leeft er de verwachting dat de gemeenteleden het belijden van de kerk reflecteren in het alledaagse leven en dat de morele keuzes van de kerkmensen in overeenstemming zijn met het standpunt van de kerk. In het pastorale werk in de gemeente weten we dat het niet meer zo is, maar dit is meestal onvoldoende terug te vinden in het gemeentebeleid. Daar komt nog bij dat gemeentes zich in hun gemeentebeleid vaak richten op dat wat zichtbaar is in de gemeente, terwijl veel diversiteit niet zichtbaar is omdat mensen hun mening voor zich houden of bepaalde praktijken verborgen houden.

Deze observatie daagt ons uit om meer dan ooit de eenheid van de gemeente in Christus te zoeken. In Christus, als het middelpunt van de gemeenschap, vinden we onze eenheid, en veel minder in het hebben van dezelfde overtuigingen. Sterker nog, hoe meer onze kerk haar theologisch standpunt verfijnt en haar ethische overtuiging strakker formuleert om meer duidelijkheid te verschaffen, des te meer de meningsverschillen voelbaar gaan worden.

In het denken over de missionaire kerk wordt al vele jaren de kentering in de kerkelijke praktijk benoemd met behulp van de drie B’s. Vroeger gingen Believe en Behave (geloof en op een juiste manier leven) vooraf aan Belong (erbij horen). Je hoorde pas echt bij een kerkelijke gemeenschap als je je met die groep had vereenzelvigd. Voor niet-Christenen betekende dat vaak een radicale bekering als gevolg van evangelisatie, of een uitgebreide oriëntatie cursus met veel theologie voor mensen die overstapten uit een andere kerk. Tegenwoordig gaat het anders. Mensen komen tot geloof of verdieping van hun geloof als ze bij een gemeenschap horen, en als zij zich dit gaan eigen maken wordt het ook zichtbaar in hun leven. Belong gaat nu heel vaak aan Believe en Behave vooraf. En nu moeten we ook constateren dat Behave in een gemeente zeer divers blijkt te zijn, ondanks een gemeenschappelijke geloofsovertuiging.

In een context van diversiteit betekent het dienen van de ander niet om de persoon proberen te overtuigen van onze mening of de officiële overtuiging van de kerk, maar om de ander vanuit onze overtuiging te begeleiden in zijn of haar weg met Christus, en gezamenlijk de Bijbel als Gods Woord te lezen. Het gaat dan niet om het opgeheven vingertje, maar om het luisterend oor; iemand die met de ander bewogen is en voor die ander bidt. En wat wij hierin te leren hebben is dat iedere mens persoonlijk verantwoording naar God toe heeft af te leggen. De ruimte die God de mensen gegeven heeft om zelf keuzes te maken moeten wij ook aan elkaar geven. Van ons wordt gevraagd om van mensen te houden, ook van onze tegenpolen en zelfs van onze vijanden, en hen te begeleiden in hun weg tot en met Jezus.

In het ondersteunen van homoseksuelen in de gemeente gaat het erom hen te helpen de vragen die zij hebben over hun seksuele oriëntatie te integreren in hun identiteit als discipel van Jezus Christus. Dit hebben we in artikel 16 “een ethiek in de eerste persoon” genoemd, zoals verwoord door Ad de Bruijne. Patrick Nullens, eveneens aangehaald in dat artikel, geeft een mooi model voor dit pastorale gesprek waarin de pastor in zijn priesterlijk luisteren het verhaal van de andere persoon in relatie brengt met het verhaal van God zoals geopenbaard in de Bijbel.  Hierin zal de pastor zijn mening of die van de kerk niet opleggen, maar wel vanuit dat referentiekader spreken en de persoon begeleiden. De persoon zelf zal echter zijn of haar eigen afwegingen maken.

Ruimte scheppen

Hetgeen tot nu toe is gezegd heeft een concrete stap nodig omdat er anders niet veel gaat veranderen en alles bij mooie woorden blijft. De kerk kan zeggen dat iedereen welkom is, en dat homoseksualiteit op zich geen belemmering is om Christen te zijn, maar de praktijk leert dat het wel een probleem wordt als een homoseksueel een relatie aangaat. De vertegenwoordigers van het kerkelijke standpunt voelen zich verscheurd door de tweespalt tussen liefde voor de persoon in kwestie en trouw aan het getuigenis van Gods Woord. De homoseksuelen voelen zich eveneens verscheurd omdat de gemeenschap waar zij God willen loven en in hun geloof gevoed willen worden zich van hen distantieert. In hun anders zijn voelen zij zich opnieuw buitengesloten en velen ervaren dat de kerk hen de toegang tot God ontzegt.

Op dit punt stagneert het gesprek. Tevergeefs proberen beide kanten de eigen overtuiging of de enorme pijn uit te leggen, men valt in herhalingen en komt niet verder. Van beide kanten blijft men meelevend en aardig om verwijdering te voorkomen, maar die wordt wel op pijnlijke wijze ervaren. We moeten verder komen en mogen niet blijven hangen in het aangeven dat het moeilijk, lastig en complex is. Hoe kunnen we verder komen? Wij stellen voor om vanuit de kerkelijke zijde ruimte te scheppen door de overtuiging tussen haakjes te plaatsen dat iemand die een homoseksuele relatie aangaat daarmee tegen Gods ordening ingaat. Het is nog steeds de overtuiging van de kerk, maar de kerk behoeft er niet naar te handelen, zodat de relatie geen schade wordt aangedaan en de homoseksueel zijn of haar plek in de gemeente niet wordt ontzegd.[4]

In deze stap passen we het tragiekmodel toe dat wij in artikel 16 hebben verkend. We zijn ons volledig bewust van de stap die we zetten en van het waarom. We nemen deze verantwoordelijkheid op ons en doen dit in alle nederigheid en met een beroep op Gods vergeving. We zijn ons bewust van het verschil van mening in onze gemeenschap, luisteren naar onze eigen verlegenheid en het niet zeker weten in het licht van de discussie die onder Christenen gevoerd wordt, en vertrouwen op Gods barmhartigheid die vaak groter is dan ons eigen hart (zie 1 Johannes 4:20). We denken aan voorbeelden in de Bijbel waarin God tegemoetkomend is aan de mensen en hun omstandigheden. Zo stemde God in met het verzoek van zijn volk om een koning, beseffende dat zij Hem daarmee onteerden als hun werkelijke koning ( 1 Samuël 8:7). Ook lezen we in de Bijbel geen negatief woord over het feit dat personen zoals Jakob en David meer dan één vrouw hadden. In het Nieuwe Testament had Paulus de vrijmoedigheid om een regel te geven voor mensen van wie de ongelovige partner van hen wilde scheiden (1 Korintiërs 7:15), een regel die tegen het gebod van Jezus in Markus 10:9 inging dat scheiden onder alle omstandigheden omschrijft als een zonde tegen God. En in het beeld van God de Vader in de gelijkenis van de verloren zoon liet hij deze ook zijn eigen weg gaan. De Vader stond zijn eigenwijze zoon niet in de weg, maar hij stond hem wel op te wachten bij zijn terugkeer. Nooit en te nimmer was zijn status als zoon in het geding.

Wat brengt ons tot dit besluit om ruimte te scheppen? Vooraf is het goed te stellen dat we dit doen vanwege de vragen over een lastig ethisch dilemma. Het is een “noodoplossing” die we niet op allerlei dilemma’s mogen toepassen om het ons gemakkelijk te maken, en zeker niet op thema’s waar de Bijbel van de kerk heldere stellingname vraagt. We passen het toe op een thema dat we niet beschouwen als een kwestie van heil en verlossing. Zoals in artikel 16 aangegeven, is dit een aangelegenheid binnen de familie waarin de familiebanden niet in het geding zijn. Hier moeten we met elkaar uitkomen zonder elkaar los te laten. Wij willen onze eenheid in Christus niet nodeloos onder druk laten zetten door meningsverschillen over dit thema. We willen vier redenen aangeven waarom we dit ruimte scheppen noodzakelijk vinden.

We scheppen ten eerste ruimte omdat er te veel verschil van mening is onder Christenen en binnen de Kerk van de Nazarener in Nederland. In de verschillende artikelen hebben we deze verschillen in kaart gebracht, alsmede de achterliggende argumentatie. In de artikelen 7 en 10 schreven we over de nieuwe inzichten in de homoseksuele oriëntatie als een biopsychisch fenomeen. We introduceerden de T-splitsing waar op grond van de interpretatie van Bijbelpassages de wegen uiteen gaan, en zagen hoe de aan ons verwante kerkgenootschappen in Nederland eenzelfde diversiteit aan meningen laten zien. We hebben hopelijk laten zien dat er voor veel van deze argumenten een Bijbelse onderbouwing gegeven kan worden, maar dat ze desondanks niet allemaal met elkaar verenigbaar zijn.

Het ruimte scheppen betekent niet dat de discussie over de verschillende meningen gestopt wordt. Het gesprek zal moeten worden voortgezet. Met het tussen haakjes plaatsen van de officiële overtuiging van de kerk en het besluit er niet naar te handelen wordt het gesprek niet gegijzeld door de eventuele consequenties van een bepaald standpunt en kan er hopelijk inhoudelijk beter worden gediscussieerd. We hopen dat het gesprek hierdoor minder beladen wordt.

Ten tweede zien we grote voordelen voor een verbetering van het klimaat waarin het gesprek met homoseksuelen plaatsvindt. Het is overduidelijk dat het huidige gesprek zich in een impasse bevindt. Wij willen een aantal voorbeelden noemen die de gevoelens aan beide kanten van het gesprek weergeven. Het is soms pijnlijk te horen hoe iemand worstelt om duidelijk te maken dat hij of zij een homoseksueel als mede-Christen aanvaardt, maar niet met een praktiserende homo het avondmaal kan vieren. Door het laatste wordt de geloofwaardigheid van het eerste woord van liefde in twijfel getrokken. Ook de erkenning van velen in de gemeente dat zij het gesprek over homoseksualiteit lastig vinden en heel ingewikkeld en het niet goed weten klinkt in de oren van homoseksuelen alsof zij het probleem zijn. Daar tegenover staat dat anderen deze mensen met een oprechte worsteling afschilderen als “Bijbels-conservatief”, of “niet ruimdenkend”, en soms zelfs als homofoob bestempelen, en hen daarmee als gesprekspartners niet serieus nemen. Soms wordt de vraag van homoseksuelen om acceptatie ervaren alsof de kerk ook moet instemmen met hun levensstijl. De angst voor de veroordeling en het buitengesloten worden belasten het klimaat en maken een goed gesprek heel moeizaam. Hoe moeilijk het gesprek kan worden, zo niet bijna onmogelijk hebben we in januari 2019 ervaren toen de Nashville verklaring in Nederland werd geïntroduceerd.

Er zal iets moeten gebeuren om uit deze impasse te komen, en de kerk zal die stap moeten initiëren. Er is meer nodig dan alleen maar woorden en verklaringen van goede intenties. Wij menen dat met het tussen haakjes plaatsen de kerk een stap kan zetten die het gesprek vlot trekt en het klimaat waarin dit gesprek plaatsvindt verbetert. Hierdoor kan de kerk een welkome en veilige gemeenschap zijn waar het gesprek in waarheid en liefde gevoerd kan worden. Dan is de kerk een gemeenschap waar de confrontatie niet geschuwd wordt omdat we weten dat we elkaar in liefde niet zullen loslaten.

Ten derde geven we onszelf de tijd. In artikel 16 schreven we over de kerk die onderweg is en tijd nodig heeft om tot een duidelijke oordeelsvorming te komen. Het is duidelijk dat de kerk uitgedaagd wordt om anders met homoseksuelen om te gaan dan in de afgelopen decennia en eeuwen, maar hoe precies is voor de Kerk van de Nazarener nog niet volledig helder. We zijn hierover nog met elkaar in gesprek, maar kunnen in de tussentijd niet blijven bij het oude standpunt. Er moet iets gebeuren. Het ruimte scheppen betekent dat we in onze verlegenheid met deze situatie niet willen handelen op grond van een overtuiging waar verschillend over gedacht wordt. Het betekent ruimte scheppen voor meer gesprek, gebed, uitwisseling van ervaringen etc. in de hoop dat er een bepaalde consensus zal ontstaan. Het betekent ook ruimte scheppen voor de heilige Geest om ons dingen duidelijk te maken.

De tijd die wij onszelf geven kunnen we goed gebruiken om op een goede inhoudelijke en constructieve wijze bepaalde vraagstukken beter te doordenken. Om een voorbeeld te noemen. Het is nog maar de vraag of het gangbare standpunt van de kerk dat je wel homoseksueel mag zijn maar er niet naar mag handelen nog te handhaven is in het licht van de huidige inzichten op homoseksualiteit als een oriëntatie. Wat wordt met handelen bedoeld? Als het verliefd worden op iemand van hetzelfde geslacht er wel mag zijn, wat mag je dan wel en niet doen? In de Bijbel gaat het over seksuele gemeenschap, maar mag een relatie zonder seksuele gemeenschap dan wel? Als er nog zo veel vragen leven, dan behoort de kerk uiterst voorzichtig te zijn, en is het beter een bepaalde oordeelsvorming op te schorten.[5]

In de  artikelen 10 en 11 hebben we het compromis model op basis van Romeinen 14 en 15 verkend. Dit model kan ook gezien worden als een tijdelijk model totdat er binnen de kerk meer consensus bestaat voor één van de twee andere posities waar dit model een middenpositie inneemt. Maar het is eveneens mogelijk dat we er niet uitkomen en dat verschil van mening blijft bestaan en verschillende benaderingen met Bijbelse onderbouwing mogelijk blijken te zijn. Dan komt het compromismodel neer op het overlaten van het oordeel aan God omdat wij op grond van zijn openbaring in de Bijbel onvoldoende zekerheid hebben om verstrekkende uitspraken te doen, of iets aan anderen op te leggen.

Ten vierde heeft het ruimte maken ook nog een missionaire consequentie naar de mensen buiten de kerk. Deze stap van het opschorten kan gepaard gaan met schuld belijden voor wat we als kerk in het verleden niet goed gedaan hebben, en dit meer laten zijn dan mooie woorden alleen. Het is een belijdenis die door concrete daden gevolgd wordt waardoor we hopelijk een bepaalde mate van geloofwaardigheid als kerk in de samenleving kunnen herwinnen. Tevens kunnen we hiermee een verkeerd gegroeide beeldvorming van de (evangelische) kerk als homofoob rechtzetten.

Een dergelijk getuigenis van schuld belijden en ruimte scheppen kan in onze samenleving een krachtig signaal van het evangelie van Jezus Christus zijn. Dit kan enorm drempelverlagend werken zodat meer mensen in de samenleving de kerk en haar boodschap van verzoening in Jezus Christus opnieuw een kans geven. We mogen hier ook God om bidden dat Hij deze stap in naam van Jezus wil zegenen en dat de kerk een plek van liefdevolle gastvrijheid wordt in een harde, gepolariseerde wereld. Maar eveneens zullen we moeten bidden of de Geest het ons duidelijk maakt als dit niet de juiste weg voor ons als kerk is.

Hoe ziet de weg eruit?

Nu we de vier kenmerken van de weg beschreven hebben – eenheid in Christus, een veilig klimaat van barmhartigheid, het dienen van de ander in een kleurrijke gemeenschap, en het ruimte scheppen – hoe ziet de weg voor ons als Kerk van de Nazarener in Nederland eruit als we deze vier kenmerken tezamen nemen? Het beoogt een weg te zijn die gemeentes de ruimte wil geven die zij nodig achten om in hun specifieke situatie gemeente van Jezus Christus te zijn zonder de verbondenheid met het grotere geheel van de Kerk van de Nazarener te verbreken. Ruimte scheppen is iets anders dan voorschrijven; het betekent meer bewegingsvrijheid geven door grenzen te verleggen voor gemeentes die daar behoefte aan hebben. Ruimte scheppen is niet hetzelfde als het opheffen van die grenzen.

Of en hoe precies van de aangereikte ruimte gebruik gemaakt gaat worden is een afweging van de plaatselijke voorganger en zijn of haar pastorale staf, ondersteund door de kerkenraad als vertegenwoordiging van de gemeente. Alle afwegingen zullen in de plaatselijke gemeente gemaakt moeten worden, omdat daar de personen die het betreft gekend zijn, en omdat daar de gesprekken plaatsvinden en het getuigenis gezien en getoetst kan worden.

De weg voor de Kerk van de Nazarener in Nederland die wij voor ons zien ziet er als volgt uit.

  • Als Kerk van de Nazarener in Nederland willen wij gastvrij zijn voor alle mensen. We willen een gemeenschap van plaatselijke gemeentes zijn die iedereen die Jezus zoekt en dichter tot hem wil groeien verwelkomt en in de gemeenschap opneemt, geen enkele persoon uitgezonderd. Hierin speelt seksuele geaardheid geen enkele rol. Wij willen in onze liefde voor alle mensen, ongeacht ras, kleur of gender het voorbeeld van onvoorwaardelijke liefde volgen dat Jezus ons heeft getoond.
  • Wij willen ons uiterste best doen om voor alle mensen een veilig klimaat te scheppen, zodat mensen zich vrij voelen te delen wat er in hun hart leeft. In het bijzonder willen wij barmhartigheid tonen aan mensen die anders zijn en daardoor meer kwetsbaar. Lerend van de fouten die de kerk in het verleden gemaakt heeft en nog maakt, en denkend aan homo-vijandige reacties en discriminerende opmerkingen in de samenleving willen wij ons ervoor inspannen dat homoseksuelen, transgenders en bi-seksuelen zich veilig en geaccepteerd weten in onze gemeenschappen. Om dit te kunnen realiseren willen we gemeentes de ruimte geven om de kerkelijke overtuiging over seksuele relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht tussen haakjes te plaatsen en niet te handelen op grond van deze overtuiging.
  • Wij zijn overtuigd van de taak van de kerk om mensen te ondersteunen op hun weg dichter tot Jezus. We zullen deze priesterlijke rol vervullen vanuit het referentiekader van onze kerkelijke traditie, maar zullen die overtuiging niet aan mensen opleggen, of als voorwaarde hanteren om bij onze gemeenschap te horen. In het begeleiden van Christelijke homoseksuelen, transgenders en biseksuelen, of zij die zoekende zijn, willen we gemeentes de ruimte bieden om – waar gepast – niet te handelen naar de kerkelijke overtuiging, om hen te helpen hoe zij hun seksuele oriëntatie kunnen integreren in hun geloof in Jezus Christus en een discipel van Jezus Christus kunnen zijn. Wij willen er ook voor deze mensen zijn, naar hen luisteren, raad en advies geven en voor hen bidden.
  • Wij reiken aan alle mensen die dichter tot Jezus willen komen de sacramenten van avondmaal en doop aan opdat zij vergeving en vernieuwing mogen ontvangen, zodat de Geest zijn werk kan doen. Het avondmaal is de uitnodiging van Jezus Christus zelf, en het wel of niet ontvangen is een afweging die iedere persoon zelf moet maken in relatie tot God. Hen die tot geloof zijn gekomen willen wij de doop niet onthouden op een andere grond dan het geloof in Jezus Christus. Doop en avondmaal zijn genademiddelen om te groeien in geloof, en geen test van goed geloof, want iedereen blijft altijd afhankelijk van Gods genade en vergeving.
  • In het vragen van mensen voor taken en posities in de gemeente kijken we naar het getuigenis van iemands leven met Jezus, de kwaliteiten die iemand heeft voor de taak of verantwoordelijkheid in de gemeente, en of de persoon in kwestie met die taak en/of in die positie het welzijn van de gemeente kan dienen. Hierin willen we ruimte geven aan gemeentes om de kerkelijke overtuiging over homoseksuelen die in liefde en trouw samen door het leven gaan tussen haakjes te plaatsen, zodat zij niet louter en alleen op grond van dit punt uitgesloten hoeven te worden van taken en verantwoordelijkheden in de gemeente.
  • Als Kerk van de Nazarener zijn wij van mening dat het Bijbelse huwelijk gesloten wordt tussen een man en een vrouw. Daarom voelen wij ons niet vrij om een verbintenis tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in te zegenen. Vanuit de internationale kerk is ons gevraagd dit niet te doen en aan dit verzoek willen wij ons houden.
  • Ordinatie in de Kerk van de Nazarener (het bevestigen van iemand die zich voor het leven geroepen voelt tot de bediening in de gemeente) is een erkenning die boven de plaatselijke gemeente en de landelijke kerk uitstijgt. Iemand wordt als oudste geordineerd in de kerk van Jezus Christus volgens de richtlijnen van de Kerk van de Nazarener. De eisen die de kerk aan ordinatie stelt zijn door de internationale kerk vastgelegd. Wij kunnen dan ook niet de ruimte die wij voor plaatselijke gemeentes in ons district scheppen toepassen op ordinatie.

Nogmaals Romeinen 14-15

We hebben in de artikelen 10 en 11 het compromismodel op basis van Romeinen 14-15 geïntroduceerd. Daarin handelt het onder andere over een verschil van visie op het nuttigen van voedsel. Ook al is die problematiek niet te vergelijken met de vragen rondom homoseksualiteit waar wij mee te maken hebben, de weg die Paulus aan de gemeente in Rome aanreikt is wel voor ons van toepassing.

Paulus richt zich in die ene brief tot beide groepen in de gemeente. De ene groep heeft geen enkel probleem met het eten van bepaald vlees, maar voor de andere groep is dit een zonde tegenover God; het maakt hen onrein (14:14). Beide groepen funderen hun overtuiging op hun geloof in God, niemand van hen leeft voor zichzelf (14:7-8), en Paulus beschouwt beide groepen als gelijkwaardige dienaren van de Heer (14:4). En ook al is duidelijk met welke groep Paulus het eens is, hij stelt zich verzoenend op en reikt een weg aan die zich richt op het gemeenschappelijke en die ruimte schept. Dit verschil van mening is een discussie binnen de familie van discipelen van Jezus Christus en niet een breekpunt van er wel of niet bij horen. Op deze punten ligt de overeenkomst met onze vragen. Wij worden ook geconfronteerd met twee visies binnen de kerkelijke gemeenschap, van mensen die de Heer even trouw zijn toegewijd, en die voor hun visie een Bijbelse onderbouwing aandragen.

De weg die Paulus aanreikt is een compromis. Tegen de ene groep zegt hij dat zij gewoon door kunnen gaan met het eten van vlees, maar dit moeten laten in het bijzijn van mensen die er een probleem mee hebben. Maar belangrijker dan het feitelijke compromis is de houding waartoe hij de gemeente oproept. Hij roept de ene groep op om de broer en zus in de familie van Christus niet te veroordelen als die in hun ogen onvoldoende gehoorzaam is aan God, en de andere groep om niet op de ander neer te zien als die volgens hen onvoldoende inzicht heeft in Gods barmhartigheid (14:3,10). Hij roept beide partijen op om elkaar te aanvaarden en te dienen (15:7,2) en hun verschil van mening aan God over te laten (14:4,10-12).

In de weg die wij hebben aangereikt willen we dit voorbeeld van Paulus volgen vanuit de overtuiging dat ons meningsverschil niet het fundament van verlossing raakt, en evenmin de eenheid van de gemeente behoeft te schaden. Het is een compromis, waarvan de één zal vinden dat het te ver gaat en te veel ruimte geeft, en waarvan de ander vindt dat het niet ver genoeg gaat. Maar belangrijker dan de regels van het compromis is de houding en de gerichtheid op het grotere geheel. We hopen dat het de mensen van de ene groep uitdaagt op concrete wijze liefde te tonen voor mensen in de gemeente met wiens wijze van leven zij niet kunnen instemmen. Anderzijds hopen we dat de mensen uit de andere groep het standpunt van de kerk respecteren waar zij het moeilijk mee hebben. Van beide groepen wordt gevraagd ruimer te denken dan hun eigen denken of hart hen ingeeft en het complexe grotere geheel van de Nederlandse kerk in een multiculturele samenleving, en van de internationale kerk in zoveel verschillende landen en culturen te accepteren. Deze toenadering tot elkaar kan het samenleven en welzijn van de gemeente bevorderen, en de gemeente helpen de liefde van Christus op een concrete wijze zichtbaar te maken in de gemeente en aan de wereld.

Hoe bewandelen we deze weg als landelijke kerk?

In het ruimte scheppen staat de bediening en het welzijn van de plaatselijke gemeente te allen tijde bovenaan. Dit betekent dat we zullen moeten erkennen dat gemeentes verschillend zijn. De ene gemeente zal dankbaar van deze ruimte gebruik maken, terwijl een andere gemeente dit niet als de juiste weg ziet of het niet nodig acht. In weer een andere gemeente kan het gevoel leven dat dit compromis nog steeds niet voldoende ruimte biedt. Dit verschil tussen de verschillende gemeentes willen we respecteren, en zoals Paulus de gemeente in Rome opriep willen ook wij de gemeentes in ons district oproepen om niet op een gemeente neer te kijken of een gemeente te veroordelen, maar ons te richten op het belang van de andere gemeente, op wat goed en opbouwend voor die gemeente is (Romeinen 15:2). Want ondanks bepaalde verschillen voelen we ons wel met elkaar verbonden als Kerk van de Nazarener in Nederland. Hierin vertrouwen we op de wijsheid van de plaatselijke voorgangers, hun pastorale staf en kerkenraad.

Maar hoe zit het met landelijke activiteiten zoals kinderkamp en zomerkamp voor jongeren? Voor deelnemers is er geen enkele belemmering. Mensen die zich aanmelden om als leiding mee te gaan hebben een referentie nodig van hun predikant. Het kernteam van de kampen vraagt deze aan en daarin heeft de predikant de gelegenheid om een kandidaat wel of niet aan te bevelen. Deze referentie van de predikant is bindend voor de kampleiding, en de verantwoordelijkheid voor deze beslissing ligt bij de plaatselijke predikant en niet bij de leiding van het kamp. Van predikanten wordt gevraagd om in hun aanbeveling niet te denken aan de eigen gemeente maar aan het welzijn en de missie van het kinderkamp en zomerkamp.

Dit kan betekenen dat de districtsactiviteiten gekenmerkt worden door een grotere diversiteit aan overtuigingen onder de leiding dan men gewend is in de eigen gemeente. Waar in de ene gemeente een homoseksuele jeugdleider een gegeven is, kan dit voor iemand uit een andere gemeente vragen oproepen. Andersom kan het ook gebeuren dat iemand die in zijn gemeente acceptatie van samenlevende homoseksuelen als heel normaal ziet, op een districtsactiviteit te maken krijgt met een mede-Nazarener die daar anders over denkt. In beide gevallen betekent het dat mensen uit hun “comfort-zone” moeten komen, zich zullen moeten openen voor de overtuiging van de ander om het gesprek aan te gaan zonder elkaar te veroordelen. Beide overtuigingen mogen in deze districtsactiviteiten naast elkaar staan, zonder dat in het onderwijs de overtuiging van de kerk terzijde wordt geschoven.

Hoe verhouden wij ons tot de internationale kerk?

De uitdaging waar wij voor staan is om in onze Nederlandse setting Kerk van de Nazarener te zijn. Wij willen het evangelie zo vertolken dat het bij de mensen in Nederland landt en relevant is. Daarom hebben we in artikel 10 ook gekeken naar het gesprek in met ons verwante kerkgenootschappen in Nederland. We zijn ons bewust van onze unieke omstandigheden die niet alleen te maken hebben met onze Nederlandse samenleving maar ook met onze geschiedenis als Kerk van de Nazarener in Nederland. Hiervoor willen we onze ogen niet sluiten. Tevens beseffen we dat in vele landen de Kerk van de Nazarener zich in een andere situatie bevindt en dat ons district in bepaalde opzichten anders is, en een minderheid vormt in de internationale familie.

We zijn al enkele jaren in gesprek met de omliggende districten van onze kerk in Duitsland en Groot Brittannië. De landelijke leiders informeren elkaar hoe er in hun district mee omgegaan wordt, en ondersteunen en bevragen elkaar. Sinds het voorjaar van dit jaar zijn we als district in gesprek met de Raad van Algemene Superintendenten over de weg die wij als Nederlands district gaan, en dit gesprek zal ook na de publicatie van dit artikel worden voortgezet. Dit en het vorige artikel zijn vertaald om de raad te informeren. Het plan is om alle gepubliceerde artikelen te herschrijven voor publicatie in een boek en dit dan ook in het Engels te vertalen voor het gesprek met en in de andere districten. Op de weg die wij gaan willen we zo transparant mogelijk zijn en in verbinding blijven met de omliggende districten en de internationale kerk.

Slot

Uit dit artikel is op te maken dat het gesprek voortgezet wordt. Toch willen we met dit artikel het proces dat in 2015 opnieuw is ingezet afronden. We hebben met elkaar een weg gevonden die kan werken voor onze kerk in Nederland. De zegen van het proces is dat we in de  zoekbeweging dichter tot elkaar zijn gekomen, ook al blijven meningsverschillen bestaan. Verschil van mening in dit gesprek mag de eenheid van de gemeente van Jezus Christus niet schaden. We hopen dat wij als gemeentes door dit proces gegroeid zijn in onze liefde voor God en voor mensen, en meer zicht hebben gekregen op ons getuigenis van Jezus Christus als Heer en Redder.

We willen dan ook eindigen met een verwijzing naar de woorden uit Filippenzen 3:12-16. We pretenderen niet dat wij het volledige inzicht ontvangen hebben, maar we willen ons uitstrekken naar datgene wat voor ons ligt. Mocht het noodzakelijk zijn dat wij op enig punt er anders over moeten gaan denken, dan bidden wij dat God ons dat duidelijk zal maken. Maar voor nu willen we in alle bescheidenheid voortgaan op de ingeslagen weg.

 

Suggesties voor gesprek

  1. Bespreek met elkaar de vier kenmerken van de weg die in dit artikel worden aangedragen: Eenheid in Christus, een veilig klimaat van barmhartigheid, het dienen van de ander in een kleurrijke gemeenschap, en het ruimte scheppen. Hoe kunnen deze vier kenmerken vorm krijgen bij u in de gemeente en waar verwacht u verzet?
  2. Bespreek met elkaar de zeven praktische uitwerkingen van de weg die in dit artikel wordt aangedragen: Gastvrijheid; veilig klimaat; ondersteunen van mensen; sacramenten; taken en functies in de gemeente; huwelijk en ordinatie. Met welke van deze bent u het eens en niet eens, en op welke gronden? Probeer in het gesprek goed te luisteren naar de argumentatie van de ander die het niet met u eens is. Waar liggen in het volgen van deze weg de knelpunten in uw gemeente?
  3. Lees met elkaar nogmaals Romeinen 14-15. Wat leert dit gedeelte ons aan het einde van ons gesprek nu we de conclusie van de serie artikelen gelezen en overdacht hebben?

 

Reageren

U kunt een email sturen naar alle leden van de kerngroep (Hans Deventer, Ed van Hoof, Stephen Overduin, Erik Groeneveld, Wilma en Antonie Holleman) en bijdragen aan het gesprek. Het emailadres is: hetgesprek@kvdn.nl.

De vorige artikelen kunt u vinden op het ledengedeelte van de website van de landelijke kerk, http://www.kvdn.nl, en op de blog https://antonieholleman.com.

Dit artikel of delen hiervan mogen overgenomen worden met vermelding van: Uitgave van de Kerk van de Nazarener – Nederland.

[1] Zie voor het besluit van de synode van de PKN in november 2018 om dit onderscheid te handhaven: https://www.protestantsekerk.nl/nieuws/generale-synode-kerkorde-huwelijk-en-levensverbintenis-ongewijzigd (geraadpleegd op 21 maart 2019).

[2] Ed Shaw, een celibatair levende homoseksuele pastor in Engeland zegt in zijn boek: “In the evangelical church, godliness is heterosexuality and no-one can quite grasp how same-sex attraction and godliness could ever exist together” (The plausibility problem, the church and same-sex attraction, 97) . Daarom wordt er volgens hem zo vaak gebeden voor genezing omdat het voor velen niet mogelijk lijkt om als homoseksueel die zich aangetrokken weet tot mensen van hetzelfde geslacht een toegewijd Christen te zijn.

[3] Zie de interpretatie van de onderzoeksgegevens op http://hartvanhomos.nl/lhbt/hoe-weet-je-het/hoeveel-mensen-zijn-homo/ (geraadpleegd op 14 maart 2019).

[4] Dit tussen haakjes plaatsen, of het opschorten van een oordeel wordt in de filosofie epoché genoemd, en is in de twintigste eeuw door Edward Husserl in zijn phenomenologische filosofie nieuw leven ingeblazen. Hij hanteerde epoché om het achterwege laten van de menselijke gebruikelijke oordeelsvorming aan te geven zodat men de wereld als fenomeen in het bewustzijn gewaar kan worden. Het ruimte scheppen voor homoseksuelen is een opschorten van de oordeelsvorming zonder dat de overtuiging waarop dat oordeel rust wordt opgeheven. In het artikel zullen we steeds spreken over “ruimte scheppen”, en niet over “opschorten van het oordeel” omdat deze formulering verkeerd uitgelegd kan worden. Bij “opschorten” kan men nog steeds het gevoel hebben dat het spreekwoordelijke zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt. Bij “oordeel” en “oordeelsvorming” kan men als reactie geven dat Jezus ons sowieso gezegd heeft om niet te oordelen.

[5] Zie bijvoorbeeld het artikel in Walter Rose, “Homoseksuele verlangens… pas op voor de reductiereflex!”, in M. van Loon, H. Medema, J. Mudde red., Homoseksualiteit en de kerk, waarin hij ingaat op de veel gebruikte visie dat je het wel mag zijn maar niet mag doen en hoe dat geïnterpreteerd moet worden. Zie ook het artikel van Herman van Wijngaarden in dezelfde bundel: “Wat zou Jezus ervan vinden?”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s